Tom D’Haeyer: Kinshasa zinkt weg

Foto Tom

(foto: Tom met gezin)

Wie is Tom D’Haeyer?

Na zijn opleiding tot bio-ingenieur en een korte passage in de IT-sector trok Tom D’Haeyer voor de Gentse NGO Protos naar Haiti waar hij 3 jaar verbleef en werkte. Protos stuurde hem daarna voor twee jaar naar Oeganda en het oosten van DR Congo. Na vijf jaar boeiende ervaringen en uitdagingen keerde hij terug naar België met meer vragen dan zekerheden. Zijn zoektocht naar antwoorden bracht hem bij CIMIC. Lang niet alle vragen kregen er een definitief antwoord maar ze kregen wel een plaats.

Ondertussen ging Tom aan de slag als consultant voor het milieu- en engineering adviesbureau Antea Group waar hij vooral in internationale projecten verder werkte rond integraal waterbeleid en klimaatadaptatie. In die tijd leerde hij zijn toekomstige echtgenote Bijou Kasongo kennen.

In CIMIC werd hij de modulebegeleider voor de regionale focus Afrika. De banden met Afrika – en Kinshasa in het bijzonder – blijven innig.

We stelden hem enkele vragen over zijn werk en zijn passie.

Tot welke algemene vaststellingen ben je als waterdeskundige tijdens de vele intercontinentale reizen gekomen?

Water is leven. Of het nu in Vlaanderen is of in Kinshasa, we kunnen niet zonder maar moeten ons ook beschermen tegen bijvoorbeeld overstromingsrisico’s. Mensen hebben meestal heel weinig noties over hun werkelijke behoefte,  het gebruik en de beschikbaarheid van water. Veel mensen in Vlaanderen weten bijvoorbeeld niet dat waterstress bij ons erg hoog is. Hoewel er in zekere zin veel water beschikbaar is, is ook het gebruik erg hoog. Duurzaam watergebruik is enerzijds een kwestie van engineering maar nog veel meer een kwestie van beleid. In Kinshasa bijvoorbeeld is er een schrijnend gebrek aan infrastructuur. Enerzijds door gebrek aan investering in nieuwe infrastructuur maar anderzijds ook door gebrek aan een overheid die op adequate manier kan instaan voor beheer en onderhoud. Het falen van de overheid kan in zekere zin worden verklaard door de mismatch van instituten (overheid, leiderschap, enz.) die niet of onvoldoende beantwoorden aan de traditionele organisatievormen. Daarom komen oplossingen vaak eerder van de basis dan van de top. Waar lokale dynamieken en leiderschap ontstaan en gemeenschappen gaan samenwerken lukt het vaak wel om (watergebonden) problemen aan te pakken. Financiële middelen blijven helaas vaak een bottleneck.

Wat staat er ons volgens jou te doen?

Grote investeringsprogramma’s hebben het over het algemeen moeilijk om in te spelen op lokale dynamieken omdat ze noodgedwongen vasthangen aan officiële systemen als internationale donoren, nationale overheden, diplomatieke kanalen, de markt of de beurzen…

Toch is de grote uitdaging – ook bij het werken aan waterbeheer – het aanreiken van gepaste oplossingen die matchen met lokale dynamieken. Ik denk dat er steeds meer aandacht en een groeiend bewustzijn voor is, maar waarschijnlijk is er nog onvoldoende kennis en competentie.  Ingenieursbureaus gaan ondertussen wel meer inzetten op ‘building with nature’. Het is een nieuwe manier van ontwerpen waardoor de natuur wordt benut en waardoor tegelijk kansen ontstaan voor economie, natuur en maatschappij. Misschien moet daar nu ook nog een sociale dimensie worden aan toegevoegd: ‘building with the people’ ?

Vanwaar je prioritaire betrokkenheid op Kinshasa?

Sinds ik in 2011 huwde met Bijou had ik plots ook familie in Kinshasa. En familie in Afrika is een ruim begrip. Er volgden sindsdien verschillende reizen naar Kinshasa waardoor het voor mij echt ook een beetje thuiskomen is. Hoewel de stad immens is en moeilijk te vatten, is het huis waar Bijou opgroeide en de onmiddellijke omgeving een stukje vertrouwde grond, een kleine oase, ook voor onze twee dochtertjes Iris (6j) en Ines (3j) die er ondertussen hun vriendinnetjes hebben.

Maar zoals vele andere huizen dreigt ook hun huis letterlijk weg te zakken. Opnieuw door een gebrek aan degelijk functioneren overheidsinstellingen.

De weg die achter huis liep is verdwenen, er gaapt nu een metersdiepe ravijn die bij elk regenseizoen groter wordt en huizen opslokt. Het is een fenomeen dat zich in grote delen van de stad voordoet. Degelijke infrastructuur voor het bufferen en afvoeren van water zou dit moeten kunnen voorkomen, maar die is er niet. In de wijken waar zich dit voordoet zijn mensen aan hun lot overgelaten. Waar er in een wijk of een straat voldoende sociale cohesie en leiderschap is gaan mensen zich organiseren om dit probleem met  bescheiden middelen aan te pakken. Sinds enkele jaren ondersteunen we dit, zowel met financiële middelen als met kennis. En we leren natuurlijk zelf ook constant bij.

Je vertelde dat je versteld staat over de veerkracht van de mensen. Hoe houden ze het vol?

Dat is een vraag die me al lang bezig houdt. Ik ervoer dat zeer sterk in Ituri, in het oosten van Congo waar ik met mensen werkte die op 10 jaar tijd verschillende keren moesten vluchten – soms tot 300 km te voet door het woud -. Ze moesten telkens weer alles van nul opbouwen. Hoe doen ze het? Misschien omdat er meer verbondenheid is: binnen de eigen gemeenschap en met het grotere geheel dat ons overstijgt. Men is meer gericht op het nu dan op de toekomst, er is een vast vertrouwen en een besef dat er slechte en goede dagen zijn. Verlies en ellende wordt ook zo ervaren, maar er lijkt toch een groter besef dat dit deel is van het leven, dat we dit moeten aanvaarden en dankbaar zijn voor wat (er) is.

Binnen cimic ben je sinds lang de begeleider van de module Afrika . Is onze kijk op Afrika nu – na 25 jaar – anders geworden? Hoe kijkt de Afrikaanse mens naar ons?

Dit lijkt meer dan ooit een actueel thema. Toen ik 10 jaar geleden bij CIMIC begon werd er al sterk op gewezen dat er dringend moest gesproken worden over het koloniale en postkoloniale verleden. Maar deze boodschappen werden toch vooral gebracht door mensen ‘van bij ons’ die dit thema meestal vanuit historisch onderzoek belichtten. Er kwamen wel al mensen langs die hun roots in Afrika hadden en die niet alleen omwille van hun expertise uitgenodigd waren, maar ook omwille van hun eigen beleving. Dat er een gesprek nodig was, was wel duidelijk, maar misschien nog niet zo duidelijk met wie?

Dat is de voorbije jaren erg veranderd. Bij CIMIC maar ook in de media krijgen we nu veel meer de stem van een jongere generatie te horen. Zij hebben de kolonisatie en de koude oorlog niet meegemaakt, maar ze zijn hoog opgeleid en eisen – terecht – hun kansen op en een positie in de maatschappij. Zij dagen ons uit om eindelijk het gesprek aan te gaan en dat lijkt toch nog een moeilijke oefening. De jongere generatie heeft wel de verhalen over het verleden én ook de waarden meegekregen.

Er komt nog een andere dynamiek aan het licht. Door de wijzigende machtsverhoudingen in de wereld heeft het Westen steeds minder te zeggen in Afrika. Ook dat verandert de manier waarop de Afrikaanse mens naar ons, ‘blanken’, kijkt. Het beïnvloedt de dialoog die verder zal worden gevoerd: zelfbewust en vol geloof in eigen waardigheid en kunnen.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *