Ernst Bloch: ‘Verzet en Vrede’ (deel 2)
Vandaag de dag is het woord ‘hoop’ niet meer uit de lucht. Iedereen kan het gebruiken of invullen zoals hij of zij dat wilt. Het woord eist in elk geval een plaats op. Er wordt ook geflirt met het getal 80. 80 jaar vrede na een halve eeuw oorlog. En wij gedenken, ‘hoopvol’. Wie nu 80 is, heeft die Europese vrede meegemaakt, de oorlogen net niet. Maar over welke vrede hebben we het, en waar vonden intussen de vele ‘andere’ bloedige en dodelijke oorlogen plaats, waarvan de meesten onder ons geen weet hebben?
Hier volgt het tweede deel van de – door Bloch geredigeerde – gesproken versie die we grotendeels voor de nieuwsbrieflezer uit het Duits hebben vertaald.
Redevoering van Ernst Bloch naar aanleiding van de ‘Friedenspreis des Deutschen Buchhandels’ in de Frankfurter Paulskirche in 1967
De verhoudingen zijn niet zo dat men een goede mens kan zijn
Of de politiek geen stap kan zetten zonder de moraal te hebben geëerd, is de vraag: kan ze echt geen andere stappen zetten, zijn ze onmogelijk, of veroorzaken ze een mislukking, waarbij iets helemaal anders naar buiten komt dan gewenst.
Maar de eis van deze moraal, van de burgerlijk rechtschapen en van de christelijke moraal, die niet vereffend is, bestaat, ook als de politiek omwegen zou moeten maken om te bereiken wat ze wil doordat ze de moraal gehoorzaamt.
Dus, het gaat erover dat de verhoudingen niet zo zijn dat men een goede mens kan zijn, en dat – als men de verhoudingen zo laat, ongeacht de goede bedoelingen – het tegendeel wordt bereikt van wat men wil. Wat in het privéleven even vaak voorkomt als in de politiek.

Machtsfetisjisme en de ‘verdinglijking’ van de macht
De oorzaken zijn bij Kant nog niet onderzocht, maar de correcte gezindheid is er, en ze richt zich vooral tegen de macht. Die is immers niet alleen maar een economische factor, want buiten de bezitsdrift is er ook nog de heersersdrift, een ‘verdinglijkte’ macht, die omwille van zichzelf functioneert, in bepaalde omstandigheden tegen en zonder het economisch belang, zodat economie tot ideologie kan verworden.
Ik verwijs naar het oud-Duitse machtsfetisjisme in de Eerste Wereldoorlog, naar de satanische macht in de Tweede Wereldoorlog en daarna Vietnam en alles wat er mee samenhangt.
Dus macht en economie hangen weliswaar samen en er is geen macht die aan de macht kon geraken indien de economische verhoudingen haar niet tot stand lieten komen. Maar er is ook een ‘verdinglijking’ en een fetisjisme van de macht ter wille van de macht zelf.
Die werd door Kant opgemerkt, bedoeld en al vroeg veroordeeld, zoals bijvoorbeeld in de volgende zin: “Dat koningen filosoferen of filosofen koningen worden valt niet te verwachten, maar ook niet te wensen omdat het bezit van macht het vrije oordeel van de rede bederft”.

Geen excuses voor de oorlog als ultima ratio regis
Over de oorlog, die de ratio regis heet, ultima ratio regis – de laatste ratio van de koning, over de oorlog in elke vorm heeft Kant dus ook de staf gebroken, er niet naar geluisterd, geen excuses aanvaard, de macht als duivels werk beschouwd, van bij de geboorte onmenselijk, zodat ze het allerbeste kan vernietigen als er niet over gereflecteerd wordt.
Hoe dicht komt dit probleem? Hoezeer smaakt de macht, hoe nabij komt het gevaar van de bureaucratie, niet alleen als gemakzucht waardoor men aan zijn zetel vastgekleefd zit, maar het gevaar dat er iets helemaal anders losbarst.
Het is niet psychologisch bedoeld, het gaat hier niet over agressie- of machtsdriften. We spreken over sociologische feiten, over iets wat al lang verouderd is, maar toch in leven gehouden wordt: het tsarisme, de Britse koning George van wie de Amerikaanse Revolutie zich losgemaakt heeft, de beslissingen in het Pentagon met de gevolgen in Vietnam.
Hoe dikwijls zien we dat niet als een eigen factor die nog bij de economische geschiedenisopvatting moet worden gevoegd als een onderdrukkende, subversieve geschiedenisopvatting. Ze is ver boven haar eigen opdracht uitgestegen.
Het waarheen en het waartoe
Het einddoel dat met dit alles bedoeld is, niet alleen wat wij nu en later willen, maar wat ik überhaupt wil – dat wil ik weten: het waarheen en het waartoe.
“Ik weet niet waar ik vandaan kom en ik weet niet waarheen ik ga, ik verwonder me dat ik vrolijk ben” is een oude huisspreuk uit de 17de eeuw die we soms nog op Beierse boerenhoven geschreven zien staan.
Een einddoel dus dat verminkt wordt, zodat in elk overleg over verandering van de wereld een eschatologisch geweten in de politiek zondermeer aan het werk moet (vooral als het gericht is tegen het verhinderen door de kapitalistische economie met haar winstgedrevenheid en door de ‘verdinglijking’ van de macht): waarheen en waartoe, en wat is het einde, waar komt het op aan?
Uittocht uit de huidige geschiedenis als een voorgeschiedenis, het voltrekken van de dromen van het verleden, van de toekomst in het verleden die ons aanspreekt doordat we haar herinneren.
Een veraf doel betekent niet ‘utopie’ in de slechte zin, zoals ze te gronde gericht wordt in de koopmansuitdrukking ‘alleen maar je reinste utopie’.
Langetermijndoelen en kortetermijndoelen
Als een langetermijndoel overdreven wordt en er geen nuchterheid aanwezig is, koude stroom dus, en als er alleen maar hete stroom doorheen het probleem van de wereldverandering vloeit, dan geldt hier een opschrift op een Beierse schotel: “Er wordt niet gedanst voor het eten” (Es geht kein Tanz vor dem Essen).
Het doel veraf danst, doet beroep op de fantasie, heeft een morele achtergrond, maar hoe gaat het met de nabije doelen? Die moeten natuurlijk eerst aan bod komen. We moeten weten wat de gevolgen zijn van de kortetermijndoelen.
We moeten vooral beseffen dat ze conditio sine qua non zijn, voor de dans, voor het beste, voor het einddoel, voor de droom van een beter leven. Als die conditio sine qua non niet vervuld is, als de nood niet weggenomen wordt, is er geen plaats voor waardigheid.
Nadenken over de zin van het leven
Wanneer de wereld niet vervuld wordt met tendensen die niet zozeer bestaan in de vrijheid om alleen maar te verdienen, maar om vrij te zijn van het verdienen, als die fase is ingetreden, worden de vragen pas goed brandend.
Dan krijgen de mensen in het alledaagse leven de zorgen die ze anders hoogstens op uitzonderlijke beschouwende ogenblikken (– als ze niets beters te doen hebben –) kunnen krijgen: ze beginnen na te denken over de zin van het leven.
Die vraag wordt voor iedereen brandend: hier in de pluralistische samenleving, aan de overkant (drüben) in de monolitische maatschappij. Dat de zin van het leven er niet is, toont zowel hier als daar de verveling, … en het ‘wachten op Godot’ – wat hoe dan ook nog een mooie houding is omdat ‘het’ dan toch nog niet verdwenen is.
Maar hoe belangrijk deze verre doelen ook mogen zijn – zoals ook de herinnering aan deze vragen op elk moment en het experiment om er dichter bij te geraken –, even vanzelfsprekend zijn de institutionele nabije doelen: de maatschappelijke verandering, zo mogelijk als evolutie, maar als het niet anders kan door revolutie. Die hoeft niet per se bloedig te zijn. Het zijn ook niet de revoluties geweest die het meest bloed hebben vergoten, maar de oorlogen en de contrarevoluties.

Wenn Judenblut vom Messer spritzt: dat is toch al bloedig genoeg, en er was geen sprake van een revolutie. Over vooruitgang wordt vandaag lacherig gedaan, door een slecht geweten en lafheid. Het gaat zogezegd niet diep genoeg. Wat de 19de eeuw, Aristoteles en Hegel zo gedreven heeft, voldoet blijkbaar niet.
Het nabije doel moet betrokken zijn op het verre doel
Opdat er iets zou zijn – een doel en een houvast – waaraan men zich kan vastklampen, moet zowel het verre doel ontwikkeld worden als het doel dichtbij, maar steeds zo dat het kortetermijndoel betrokken is op het verre doel, en dat het verre doel in het nabije aanwezig is. Anders komt er barbarij die de strijd voor verre doelen niet in een antithese tot de vrede brengt, maar tot een oorlog.
Een oorlog waar het over mensen gaat, over slachtoffers, een oorlog waarbij duizenden mensen de dood worden ingejaagd en verbruikt worden als kanonnenvlees… en dat allemaal voor een verre toekomst, voor een ver doel dat ze nooit zullen bereiken.
Dit is de totale omslag van strijd naar oorlog (ook al kan hij revolutionair of voor edele doelen begonnen zijn), wanneer men niet voortdurend het volgende voor ogen heeft: de inhoud van het verre doel moet reëel aanwezig zijn, ook in het nabije doel.
Er mag geen sprong tussen beide bestaan en er mag geen volkomen andere inhoud tevoorschijn komen, maar wel een verwarming van het strijdend leven door het geëxperimenteerde en zich hier en daar bevestigende licht van een doel. Verlevendiging in plaats van een wolkenkoekoeksnest.
Wat is rust? Wordt er geslapen als er vrede is?
Nu nog een begrenzing in verband met de vrede en de intensifiëring van het probleem ‘strijd en oorlog’ door het woord ‘rust’ (Ruhe).
In vrede ligt er ook een rust, nog zo een woord dat een karikatuur kan zijn. De vrede van het kerkhof is een uitdrukking van die rust die er beter niet zou zijn. De spanningen van de oorlog (die men ook de locomotieven van de wereldgeschiedenis heeft genoemd) zijn een dialectiek. Hoe verhouden die spanningen zich tot de categorie vrede?
‘Polemos pater pantoon’, zegt de eerste grote dialecticus, Herakleitos. “De oorlog – polemos moeten we als oorlog vertalen, niet als strijd –is de vader van alle dingen.”
De tegenspraak, het verzet, en niet alleen het subjectieve verzet, is niet wat Herakleitos op het oog heeft, het gaat over verzet als inherente tegenspraak in het object zelf dat de vader van de dingen is, anders valt alles in slaap.
Op basis van die uitspraak hebben oorlogszuchtige figuren grote zaken kunnen doen door te voorspellen dat er overal zou geslapen worden waar er vrede was, en levendigheid alleen aanwezig was op plaatsen en in tijden dat er oorlog was, niettegenstaande de Latijnse spreuk ‘inter armas silent musae’, tussen de wapens zwijgen de muzen.

Maar als de oorlogen locomotieven van de wereldgeschiedenis zijn, dan tellen alleen maar de werken en de tijden van vrede in de cultuur. En alleen daardoor zijn ze locomotieven omdat het doel een ander was dan doodslag.
Dus het goedpraten van oorlog door de bewegingen in het menselijk koopmanskantoor en vrede als rust in de slaapverwekkende betekenis is een gevaarlijke manier die we onder ogen moeten zien, en die de hoop tegenspreekt welke nooit een hoop op oorlogen was, maar een hoop op vredezegeningen die moeten worden vervuld.
De vrede: een lege ruimte
Over vervullen gesproken: de vrede is een lege ruimte, een holle vorm waarin eerst moet worden geschilderd, waarin ons verborgen gezicht kan worden aangebracht. De vrede zelf heeft nog geen inhoud, ze is zelfs dan als verste doel een conditio sine qua non waarin iets anders opgaat dan wat in de omstandigheid (zonder dewelke het niet kan gebeuren) reeds aanwezig is als een novum en een ultimum.
Daarin steekt echter zelf als conditio sine qua non het zeer kostbare woord Ruhe / rust en de inhoud van het dona nobis pacem, of ‘Vrede op aarde, voor de mensen een welgevallen’.
Ruhe / rust, het grote archetype in ‘über allen Gipfeln ist Ruh’, (https://www.medienwerkstatt-online.de/lws_wissen/vorlagen/showcard.php?id=4006) het vroege gedicht van Johann Wolfgang von Goethe, waar rust als iets verschijnt dat nog nooit de wonden van de strijd zelfs kan bevatten, maar met slaperigheid en verveling niets gemeen heeft; het archetype dat in zich draagt: het oneindige en diepe orgelpunt, de tonica, het einddoel, het uitmonden, het bewaren, het bevestigen en het overtreffen van al onze wensen; rust die geen droomloze slaap is en het tegendeel van kerkhofvrede, het niet ontdekte, niet geëxploreerde land Ruhe / rust dat in de diepten der diepte van vrede werkt, uitnodigt, die de bozen, de legen en dommen afschrikt en de dealmakers van zich afstoot.
Maar de vita activa is zelf in de vita contemplativa aanwezig, het is niet alleen het puzzelwoord van dit Goethegedicht, het archetype, maar de inhoud van alle grote religies, niet alleen van het christendom, vooral van de Oost-Aziatische religies waarin kan worden geleerd wat – buiten de Bijbel – de utopische inhoud van vrede is.
Onze opdracht en het overleven
Het is een oneindig thema waarvoor men een eeuwigheid nodig heeft om het te laten oplichten, of op z’n minst een halve eeuwigheid. Het gaat om het overleven en niet om het overleven in psychologische zin, maar om het overleven en verderzetten van de zaken / taken (Geschäft) waarvoor wij mensen zijn aangetreden.
Onze opdracht aan het front van het wereldproces waar we iets te vervullen hebben; om dit overleven gaat het dus opdat het niet zou ondergaan in nihilisme, verveling, platheid, in een consumptiemaatschappij of in een ook niet zo bijzonder productieve hongermaatschappij.

Een doel voor ogen hebben, een stut plaatsen waaraan men zich kan vasthouden en waar het roest en de motten niet kunnen vreten. Dit alles zijn ook opdrachten van het pacifisme.
De vraag naar het waarheen en waartoe die verder reikt dan de volgende dag en ons diep raakt als een probleem dat ons bezorgd is, als een reëel probleem dat in de wereld inherent is, in het laboratorium ‘wereld’ dat zelf niet weet waar zijn kop staat en die ons staakwoord nodig heeft.
Met hoop en arbeid en niet alleen met een soort catechimusachtig vertrouwen in een al lang geleden opgeloste aangelegenheid zoals de catechismus het voorhoudt.
Arbeid, hoop, kennis aan het front van het wereldproces en overleg met wat nog niet ‘geworden’ is opdat het niet tot onheil, maar tot heil gedijt.
Maar het nabije doel – en dat is dan het laatste woord zodat dit hier niet te eschatologisch eindigt, hoewel het helemaal niet zo bedoeld is: het eschaton is evenzeer het meest nabije, alleen de verhoudingen zijn zo niet.
En als de verhoudingen de mensen vormen, dan moeten – aldus Marx – de verhoudingen zelf eerst menselijk gevormd worden.
Dus laat ik eindigen met de strijdvaardige en vredelievende oproep: leve de ‘praktische rede’.
Ernst Bloch
(vertaald uit het Duits door Marc Colpaert)
Lees ook:
Blochs letzte Vorlesung in Leipzig (17. Dezember 1956) https://www.leipzig-lese.de/persoenlichkeiten/b/blochs-letzte-vorlesung-in-leipzig/blochs-letzte-vorlesung-in-leipzig/
Lees verder (inhoud juni 2025)
