Kan feminisme Afrikaans zijn?
Minna Salami werd in 1978 in Finland geboren als dochter van een Finse moeder en een Nigeriaanse vader. Ze groeide op in Nigeria. Momenteel werkt ze als journaliste in Londen. Haar blog msAfropolitan.com werd bekroond. Van haar verschenen in 2021 Sensuous Knowledge en dit jaar Can Feminism be African?
Recent publiceerde ze een filosofisch artikel dat aansluit bij haar laatste boek. Ze stelt dat het mannen zijn geweest die vastlegden wat Afrika betekent, en dat het witte vrouwen waren die bepaalden wat feminisme is. “Maar dat is nu voorbij”, schrijft ze. We laten haar vraag door haarzelf beantwoorden. Hier volgt de vertaling van haar artikel.
Welllicht heeft de vraag “Kan het feminisme Afrikaans zijn?” de lezer verrast. Wil ik daarmee vragen of het feminisme bij Afrika past of net niet? Zou het niet beter zijn de vraag om te keren in “Kan Afrika feministisch zijn?” Maar dan wordt verondersteld dat feminisme vreemd zou zijn aan Afrika en dat Afrika geen eigen feministische beweging kent, maar dat is niet zo.
In elk geval bevestigt de omgekeerde vraagstelling de indruk dat feminisme een westers importproduct en dus ’on-Afrikaans’ is. Het is deze overtuiging die aan de grondslag ligt van de wijdverspreide weerstand tegen het feminisme op het Afrikaanse continent. Het argument is dan dat feminisme een beweging is die door witte vrouwen werd uitgedacht in dienst van het imperialisme.
Een prisma
De vraag in de titel van dit artikel geeft de indruk dat we ons op een onzeker terrein begeven. Maar dat geldt alleen als we de vraag als een puzzel proberen op te lossen. Er hoeft echter niet gepuzzeld te worden. De vraag moet alleen door een prisma caleidoscopisch worden bekeken.
Ik nodig de lezers uit om Afrika, het feminisme en het bestaan zelf (‘het zijn’) op een verbeeldende ongewone manier te benaderen.
Want Afrika en de Afrikaanse mens worden nog steeds met racistische vooroordelen bekeken als het/de ‘andere’. Over feminisme wordt nog altijd in stereotypen gedacht als een zaak van mannenhaters, van verbitterde of woedende vrouwen…

Daarom heb ik naar een andere kennismethode gezocht om de gestelde grondvraag anders te benaderen.
Waar ik naartoe wil, is een blik die op oncontroleerbaarheid en levendigheid berust, op datgene wat de Caraïbische dichter en denker Edouard Glissant ‘opaciteit’ (nvdr: mate van ondoorlatendheid voor licht) genoemd heeft. Zulke opaciteit heeft het recht om weerstand te bieden aan de koloniale eis dat alles transparant moet zijn, verklaarbaar en beheersbaar moet worden door de dominante blik.
Verharding van de waarneming en ophelderend licht
In mijn vorig werk heb ik dit een zintuigelijke kennis (sensuous knowledge) genoemd: als een doorvoeld feminisme dat geen weten najaagt, maar op zoek is naar de vluchtigheid van haar eigen wezen.
Ik heb steeds de voorkeur gegeven aan een feministische benadering, die zoekend, sonderend, en omwoelend is in plaats van dogmatisch en voorschrijvend.
Zoals de feministische auteur Yvonne Vera uit Zimbabwe schreef: “Schrijven is licht, een stralen, dat alles opvangt in een fijn profielbeeld. Dit licht zoekt en heldert op; het is een veilige plek van waaruit we de emotionele chaos van onze ervaringen zichtbaar kunnen maken”.
De verharding van de waarneming weer losser maken door taal houdt in dat we de grond klaarmaken voor een andere manier van zien – en daardoor voor een andere manier van co-existentie.
In het centrum van deze verkenning liggen de spanningen tussen Afrikaanse identiteit en het feministische zijn. Ze zijn niet alleen van politieke en culturele aard, ze zijn ook ontologisch. Het gaat over niets minder dan over het recht om het Afrikaans zijn te definiëren en te (be)leven als vrouwen, als feministen, als volwaardige wezens. Dit recht heeft altijd ontbroken.
Meetlatten van de masculiniteit
De hedendaagse Afrikaanse identiteit wordt zozeer door de meetlatten van de masculiniteit bepaald dat men zou kunnen zeggen dat Afrikaans zijn samenvalt met mannelijk zijn.
In de decennia na de onafhankelijkheid ontstond een voorstelling van het Afrikaans zijn die – politiek, cultureel en intellectueel – overwegend door mannen werd bepaald. Zij waren het die de ideeën, waarden, tradities, en culturele overtuigingen van het continent definieerden en daardoor de voorwaarden voor de Afrikaanse identiteit vanuit een mannelijke bril vastlegden.
Als ik zeg dat Afrikaans zijn betekent een man te zijn, bedoel ik dat Afrika zelf als een mannelijke grootheid wordt behandeld: het wordt politiek, cultureel en filosofisch door mannen gevormd die zich het recht toemeten dat te doen, gewoon omdat ze mannen zijn.
Het uitsluiten van Afrikaanse vrouwen spiegelt de verdere uitsluiting in de geschiedenis van het mondiaal feminisme. Van bij het begin was het feminisme een internationale beweging. Maar toch werden witte, westerse feministen op grond van hun ‘rassenprivilege’ de luidste en meest prominente leden van die mondiale beweging.
Het gevolg daarvan is dat niet-witte feministen dikwijls gezien worden alsof ze strijden om ook in dat ‘grote feminisme’ te worden opgenomen, hoewel de grote beweging ook steeds hun beweging – dus de onze – is geweest.

Golven van vergeten Afrikaanse feministen
In het begin van de 20ste eeuw, toen het feminisme voor het eerst wortel schoot, leverden Afrikaanse vrouwen een grote bijdrage aan de groeiende internationale scene: de Nigeriaanse revolutionaire Funmilayo Ransomi-Kuti, de pedagoge Adelaide Casely-Hayford uit Sierra Leone, de activiste Mabel Dove Danquah uit Ghana, en de woordvoerster Charlotte Maxeke uit Zuid-Afrika.
Ze reisden naar China, Rusland, Engeland en de VS, waar ze uit naam van de vrouwenrechten publiceerden en redevoeringen hielden. Ze voorspelden de komst van “een nieuwe dag waarop Afrika een kans zou krijgen om zich met ideeën en idealen te ontplooien door alleen datgene over te nemen van de westerse cultuur wat voor de eigen ontwikkeling en vooruitgang noodzakelijk zou zijn”, zoals Casely-Hayford het verwoordde op een activistische reis naar Amerika in 1920.

Toen Ransome-Kuti in 1947 naar Groot-Brittannië reisde, bezocht ze de fabrieksarbeidsters. Hoewel ze zelf tot een Nigeriaanse elite behoorde, was de bevrijding van arbeidsters haar droom. In de ‘Daily Worker’ schreef ze dat voor de Nigeriaanse arbeidersklasse “de ware toestand van de Nigeriaanse vrouwen moest worden beoordeeld vanuit de vrouwen die baby’s op hun rug droegen en van zonsopgang tot zonsondergang op het land werkten, en niet vanuit de vrouwen die thee, suiker en meel als ontbijt hadden”.
Dat het westerse vrouwen waren die zich het meest lieten horen binnen het feminisme, betekent niet dat de beweging alleen door hen werd bepaald. Het toont alleen maar hoe privileges en beperkingen functioneren.
Hoe zou de feministische beweging eruitzien zonder de invloed van het abolitionisme, de antikoloniale bevrijdingsbeweging, de derde feministische golf, of van de MeToo-beweging. Al deze bewegingen ontstonden door het werk en het denken van niet-witte feministen.
Vrouwen zoals Elisabeth Cady Stanton en Susan B. Anthony – witte Amerikaanse vrouwen die vaak als stichters van het feminisme worden beschouwd – waren zelf beïnvloed door afro-Amerikaanse vrouwen zoals Sojourner Truth, Anna Julia Cooper en Ida B. Wells, zwarte abolitionisten die niet konden bogen op ‘rassenprivileges’ en daardoor niet als leidende figuren in de vrouwenbeweging werden erkend.
De tweede golf van de vrouwenbeweging in de jaren zestig en zeventig van vorige eeuw werd als ‘vrouwenbevrijding’ gezien omdat ze inspiratie had gehaald uit de bevrijdingsbewegingen uit de Derde Wereld en van zwarte mensen.

De ‘derde golf’ kreeg haar naam van de zwarte feministische auteur Rebecca Walker, die de uitdrukking in 1992 lanceerde. Enkele jaren later introduceerde de zwarte feministische wetenschapster Kimberlé Crenshaw het begrip ‘intersectionaliteit’ om te beschrijven hoe vrouwelijkheid niet alleen door het sociale geslacht, maar ook door ‘ras’, etniciteit en klasse wordt beïnvloed.
We beleven vandaag een feministisch tijdperk waarin intersectionaliteit – het samen voorkomen van verschillende vormen van discriminatie – een van de invloedrijkste concepten is geworden.
Het heeft niet alleen het feminisme zelf verbreed, maar is ook binnengedrongen in het algemene culturele en politieke discours. Zo is bijvoorbeeld binnen het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken, maar ook binnen de organisatie van de VN het inzicht in intersectionaliteit een must.
Nog steeds niet gehoord
Toch worden de stemmen van Afrikaanse feministen nog steeds niet gehoord. Hoewel sommige Afrikaanse vrouwen – zoals de politica’s Ellen Johnson Sirleaf, Sahle-Work Zewde, Louise Mushikiwabo en Ngozi Okonjo-Iwela – nationale en internationale machtsposities hebben gekregen, konden de intellectuele bijdragen van het Afrikaanse feminisme de mondiale vrouwenbeweging niet diepgaand beïnvloeden zoals het zou moeten.
Neem om het even welk prangend thema van onze tijd – hetzij genderongelijkheid, klimaatverandering, neokolonialisme, fundamentalisme – en men zal zien dat Afrika er onmiddellijk mee te maken heeft.
Afrika wordt al zo lang door de algemene wereldorde getroffen dat de eigen feministen zich wel moesten bezighouden met de genoemde problemen, die op dit ogenblik de hele wereld bezighouden.
Het tijdschrift Feminist Africa reflecteert dan ook vanuit het perspectief van Afrikaanse feministen over zeer uiteenlopende thema’s als militarisme tot en met bodemextractie (nvdr: het ontginnen van natuurlijke hulpbronnen, met name voor de export, met minimale verwerking, maar maximale winst) en oorlog.

Visionair
Het is dus niet zo dat er in Afrika geen feministische beweging zou zijn. Ik had het voorrecht om met feministen te spreken in heel Europa, in de VS, in Azië, de Caraïben en Latijns-Amerika. Het waren ontmoetingen die mijn kennis van de rijkdom en de diversiteit van het wereldomvattende feministische denken hebben verdiept.
Daarom kan ik zeggen dat Afrikaanse feministen enkele van de fundamenteelste en meest visionaire bijdragen leveren voor het wereldwijde feministische denken.
Zo heeft de Zuid-Afrikaanse professor Pumla Dineo Gqola in haar boek Female Fear Factory kritisch geschreven over de wereldomvattende massaproductie van angst in patriarchale samenlevingen – belangrijke lectuur voor het begrijpen van de onderlinge samenhang van het mondiale geweld tegen vrouwen.
Een ander voorbeeld van een zeer belangrijke Afrikaanse feministische theorie stamt van de geleerde en ecofeministe Patricia Mc Fadden uit Eswatini (vroeger bekend als Swaziland).
Met haar theorie over het ‘tijdgenoot zijn’ belicht ze hoe men een authentieke en radicaalfeministische politiek kan voeren in de wereld zoals die zich vertoont. En de African Feminist Initiative – een collectief van meer dan 500 Afrikaanse feministische wetenschapsters en activisten – ontwikkelt theorieën en interdisciplinaire kennis over lust, subjectiviteit en weerstandskracht.
Ons ‘zijnsbegrip’ werd door witte mannen gevormd
Als we de vraag stellen of feminisme Afrikaans kan zijn, moeten we ten slotte ook vragen naar de natuur van het bestaan (‘het zijn’) zelf. Wat is de natuur van de substantie waardoor al het andere ontstaat en wordt? Ons ‘zijnsbegrip’ werd door witte – en al lang dode – mannen gevormd. Het is door hun voorstelling dat het ‘zijn’ van de nog levende witte mannen nog steeds centraal staat en geprivilegieerd wordt.
Vertel me dus: hoe kan feminisme Afrikaans zijn als het Afrikaans-zijn, het feminisme en het bestaan zelf zo gedefinieerd worden dat het de vrouwen van Afrikaanse origine uitsluit? En even belangrijk: hoe kan het feminisme dat niet zijn? Daarin ligt de paradox.
Afrikaans feminisme wordt dikwijls tot lijden gereduceerd: oorlog, honger, slechte infrastructuur. Ik begrijp hoe dat komt. Het continent draagt een diepe pijn in zich mee.
Maar de materiële realiteiten van Afrikaanse vrouwen zijn niet alleen maar humanitaire zorgen. Ze weerspiegelen een dieperliggende manier om iemand het zwijgen op te leggen, namelijk door de uitsluiting van het creëren van betekenis zelf.

Wat als? – Afrika nieuw denken, feminisme niet te negeren
Wat zouden gevolgen zijn als feministen de architecten van Afrika en het Afrikaans zijn zouden worden? We kunnen daarover natuurlijk alleen maar speculeren.
Maar als we uitgaan van de kritische, analytische en ideeënrijke aanzetten van het feministisch denken, dan zouden die zeker het lichaam, de natuur, de gemeenschap, de bewustzijnsverruiming en het holistische denken betrekken in de transformatie, in plaats van autarkische vaderfiguren te prijzen en ruimte te geven aan hoogdravende reglementen.
Waarschijnlijk zouden dan de gecompliceerde relaties tussen macht, politiek en doorleefde ervaring op het programma van sleutelinstituties staan.
Daarom is de vraag of feminisme Afrikaans kan zijn helemaal niet retorisch of abstract. Ze vormt onze kennis en het verstaan van bevrijding rond wat het is ‘een zelf’ te zijn.
Ze toont ons dat Afrika door het feminisme wordt verrijkt en het feminisme door Afrika. Ze brengt ons tot inzicht dat het feminisme een van de belangrijkste instrumenten is waarmee we Afrika ten voordele van de vrouwen ‘nieuw’ kunnen denken, en dat Afrika’s positie in de mondiale orde vragen doet rijzen die het feminisme in de 21ste eeuw niet meer kan negeren.
En wellicht is dit nog de dringendste vraag: kan er ooit een Afrikaans-zijn in volle omvang bestaan als het feminisme buiten gesloten blijft?
Minna Salami
(vertaling uit het Duits door Marc Colpaert)
(bron: Die Zeit, 8 mei 2025. Reeks: ‘Sinn & Verstand, die philosophische Seite’)
Lees verder (inhoud juni 2025)
