Veerkracht op de proef gesteld: nieuwe kijk op het aanpassingsvermogen van onderzoekers in oorlogsgebieden
Toen Bukavu in februari 2025 door de AFC/M23 werd ingenomen, werd de stad door verschillende westerse ambassades aangeduid als een ‘rode zone’, wat leidde tot de evacuatie van hun onderdanen en een algemeen reisverbod. Sommige onderzoekers verlieten de stad, anderen – gedwongen door financiële en familiale redenen – bleven er en werden geconfronteerd met toenemende onveiligheid, criminaliteit en angst.
Sinds de komst van de rebellen in Bukavu is het dagelijks leven er een strijd om te overleven geworden: schoten in de nacht, inbraken, lijken op straat in de ochtend. In dit klimaat blijft de onderzoeker desondanks lesgeven, studenten begeleiden, op afstand samenwerken met collega’s wereldwijd en onderzoek verrichten. Ik behoor tot die onderzoekers die in Bukavu moesten blijven.
Voor mij had deze ervaring een dubbele betekenis: omdat ik zowel in het Noorden (UMons, België) als in het Zuiden (ISDR-Bukavu, DR Congo) gevestigd was, voelde ik de spanning erg scherp aan tussen de academische eisen en de gevaren van mogelijke blootstelling aan de dood.
Ik bevond me immers in een gebied waar de oorlog zowel een achtergrondgeluid als een zeer tastbare aanwezigheid was. Zelfs ver van het front herinnerden de geluiden van geweervuur me aan de trauma’s uit het verleden. Een teken dat de dertig jaar oorlog in het oosten van Congo me nog steeds achtervolgden.
Uit deze ervaring heb ik vier bevindingen gedestilleerd die het verdienen om verder te worden uitgediept:
(1) oorlog legt het onderzoek niet stil: in de sociale wetenschappen wordt het vaak het terrein én het onderwerp van onderzoek. Maar het stelt de onderzoeker bloot aan een langzame of brute dood;
(2) academische productiviteit zet aan tot het omzetten van lijden en angst in wetenschappelijke prestaties: veerkracht wordt zo een impliciete competentie;
(3) het handelingsvermogen van de onderzoeker blijft beperkt door financiële, structurele en institutionele beperkingen die zijn manoeuvreerruimte inperken;
(4) ten slotte loopt er ook een impliciete hiërarchie door het onderzoek: sommigen kunnen – of moeten – in rode zones blijven, anderen worden beschermd of krijgen geen toegang – wat een gedifferentieerd beleid van leven en dood aan het licht brengt.

Deze bevindingen, die ik ook bij andere collega’s van het onderzoekscentrum in Bukavu heb waargenomen, nodigen uit tot een heroverweging van het begrip veerkracht zelf, dat vaak wordt geprezen als een teken van kracht en aanpassingsvermogen, maar dat in een oorlogssituatie zoals in Congo een dodelijk instrument kan blijken te zijn.
De literatuur over de veerkracht van de onderzoeker is sterk gegroeid, maar de normatieve grondslagen ervan worden nog steeds weinig in vraag gesteld.
Er zijn vier belangrijke benaderingen: veerkracht wordt gezien als het individuele vermogen om met trauma’s om te gaan, emotionele stabiliteit te behouden en het werk voort te zetten ondanks tegenslag (Bonanno, 2004).
Er wordt ook de nadruk gelegd op de veiligheid van de onderzoeker en zijn gesprekspartners, het belang van lokale partnerschappen en relationele aspecten als basis voor wetenschappelijke geldigheid en betrouwbaarheid in een context van geweld (Wood, 2006; Mazurana e.a., 2013; Fujii, 2017).
Bovendien legt zij de nadruk op materiële, sociale en emotionele steun, waarbij zij de rol van financiële en institutionele middelen voor het voortbestaan van de onderzoeker benadrukt (Ungar, 2011).
Ten slotte interpreteert zij veerkracht in het licht van het neoliberale beleid, waarbij zij aantoont hoe deze de verantwoordelijkheid verschuift van het collectief naar het individu, dat gedwongen wordt om ondanks alles ‘stand te houden’ (Joseph, 2013; Daouk, 2014; Carlier, 2024).
Het is dit laatste perspectief dat ik sterk heb ervaren de laatste maanden en dat ik graag zou willen verdiepen, door er de ‘necropolitieke’ dimensie in te integreren zoals Achille Mbembe (*) zo treffend heeft beschreven (Mbembe, 2020; Bisoka, 2025).

Hier is veerkracht niet langer alleen een deugd of een psychologische vaardigheid: het wordt een machtsinstrument dat bepaalt welke levens het verdienen om beschermd te worden en welke zich moeten aanpassen, volharden of zelfs in stilte moeten sterven.
Onder het mom van aanpassingsvermogen naturaliseert veerkracht de kwetsbaarheid en de blootstelling aan de dood. Het rechtvaardigt dat bepaalde onderzoekers, zoals ik en mijn collega’s, die zich in oorlogssituaties bevinden, in naam van de academische plicht, de eisen van het beroep en de noodzaak om te overleven, ondanks het gevaar moeten blijven produceren, terwijl anderen, die zich meer in het centrum bevinden, worden beschermd.
Deze logica rangschikt levens: ze verandert lijden in een bewijs van verdienste en overleven in een wetenschappelijke prestatie. In die zin wordt veerkracht een ‘biopolitiek’ selectiemechanisme, waarbij de productiviteit van de onderzoeker in een dodelijke zone wordt geïnterpreteerd als een vorm van uitmuntendheid in plaats van als een symptoom van structureel geweld.
Zo heb ik ervaren hoe de retoriek van veerkracht drie dodelijke verschuivingen teweegbracht: ten eerste, van collectieve verantwoordelijkheid naar individuele verantwoordelijkheid.
In plaats van hun beschermingsplicht te herzien, benadrukken onderzoeksinstellingen het individuele vermogen van de onderzoeker om het ‘vol te houden’ – waardoor de ethiek van de zorg verschuift naar een ethiek van prestatie. Vervolgens van kwetsbaarheid naar normalisering. Emoties, angsten en trauma’s worden indicatoren van uithoudingsvermogen.
Emotionele ongevoeligheid wordt gepromoot als een professionele vaardigheid. Eindelijk, van politiek naar techniek.
Door management en aanpassing te verheerlijken, ontdoet veerkracht de oorlog van zijn politieke lading: het verandert een probleem van structureel geweld in een kwestie van individuele capaciteiten.
In deze logica is veerkracht niet langer emancipatorisch, maar zelfs dodelijk: ze legitimeert blootstelling aan de dood in naam van wetenschappelijke productiviteit, terwijl ze de systemische ongelijkheden op het gebied van bescherming, middelen en mobiliteit tussen onderzoekers uit het Noorden en het Zuiden bijna onzichtbaar maakt.
Mijn ervaring in Bukavu werpt licht op de paradoxen van veerkracht in een oorlogssituatie. Verre van een eenvoudig aanpassingsinstrument te zijn, fungeert veerkracht als een hiërarchiserend mechanisme: het verdeelt onderzoekers in degenen die in de rode zones kunnen leven en werken en degenen die beschermd moeten worden.
Bovendien legitimeert veerkracht de ongelijke blootstelling aan de dood en het precaire overleven als normale omstandigheden voor onderzoek. Ten slotte maakt het het lijden onzichtbaar en verdringt het zorg, solidariteit en rechtvaardigheid naar de achtergrond.
Veerkracht mag geen vereiste zijn, maar een te onderzoeken symptoom — dat van een academisch systeem dat, door de voortdurende productie van kennis te waarderen, lijden en angst tolereert als ‘bijkomende schade’ van intellectueel werk.

Mijn ervaring pleit dus voor een ethiek van zorg en solidariteit, die opnieuw centraal moet komen te staan in de onderzoekspraktijk.
Ze nodigt instellingen uit om hun beschermingskaders te herzien, kwetsbaarheid te erkennen als een wezenlijk onderdeel van wetenschappelijk werk, en de logica te betwisten die blootstelling aan gevaar als een teken van academische moed beschouwt.
In het licht van oorlog is de vraag niet tot hoever het onderzoek kan doorgaan, maar tegen welke prijs het dat doet en wat de gevolgen daarvan zijn, in termen van alternatieven.
In dodelijke gebieden is het eerste dat behouden moet blijven niet de wetenschappelijke data, maar het leven van de onderzoeker zelf.
Lionel Bisimwa Matabaro
Lionel Bisimwa Matabaro is doctoraatsstudent aan de ESHS, afdeling Sociologie en Antropologie van de UMons in België, en onderzoeker aan het Centre Angaza Institute van het ISDR-Bukavu in Zuid-Kivu, DR Congo.
[vertaald uit het Frans door Jan Van Criekinge]
Dit artikel verscheen op 16 februari 2026 op de website van Governance in Conflict Network (GIC Network) (UGent): https://www.gicnetwork.be/resilience-en-cause-une-relecture-des-performances-adaptatives-des-chercheurs-en-zones-mortiferes/
GIC Network is an international research network led by the Department of Conflict and Development Studies at Ghent University. It brings together all relevant disciplinary knowledge at Ghent University in a thematic interdisciplinary approach. Through cooperation with 28 academic partners from 16 countries a diversified regional and international expertise is integrated in the network. Bundling our strengths together creates valuable opportunities in research and education.
The Governance in Conflict Network starts from the nexus between conflict and development. This linkage is now recognized as one of the most crucial contemporary global challenges: for the first time promoting just, peaceful and inclusive societies has been integrated as one of the Sustainable Development Goals (SDG16).
(*) Achille Mbembe, Necropolitics, Duke University Press, 2019, 224 p. ISBN 978-1-4780-0651-0 https://www.dukeupress.edu/necropolitics
Achille Mbembe is Research Professor in History and Politics at the Wits Institute for Social and Economy Research, University of the Witwatersrand, Johannesburg. He is author of Critique of Black Reason and coeditor of Johannesburg: The Elusive Metropolis, both also published by Duke University Press. Achille Mbembe is the Winner of the 2024 Holberg Prize, presented by the University of Bergen on behalf of the Norwegian Ministry of Education and Research. The prize is awarded annually to a scholar who has made outstanding contributions to research in the humanities, social science, law or theology.

