Redactioneel 42

De droom van een democratische, vredevolle wereld begon al in de jaren zestig uit te doven. Er was toen veel protest nodig om eraan te herinneren dat de wereldoorlogen desastreus vernietigend waren geweest voor mens en natuur.

De monnik Thomas Merton schreef al in 1962 dat er vanuit zijn spiritualiteit geen plaats kon zijn voor een ‘rechtvaardige oorlog’.

En het eerste boekje dat Huub Oosterhuis in datzelfde jaar uitbracht, was een oproep om te ‘bidden voor vrede’. Het leven van de net overleden Oosterhuis werd een ware ontdekkingsreis. Hij ontdekte als theoloog dat de mens niet alleen van de aarde leeft, maar dat hij ook met de aarde leeft en dat toe-eigening ervan in feite niet kan.

Toch wordt de mens er steeds toe verleid. Oosterhuis zocht in de taal van toen naar ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’. Met die taal is niets mis, met de mens die het vandaag een ‘afgezaagd’ sprookje vindt wel.

Op dit ogenblik is er sprake van onbenaderbare grootmachten, wereldmachten die het wereldtoneel herschikken, nieuwe – ook geheime – afspraken maken over wie er de schatten uit de grond of uit het water mag halen, wie mag stelen en roofbouw plegen. Op zich is dat niet nieuw. Op de Conferentie van Berlijn van 1884-1885, over de deling van Afrika, was geen enkele Afrikaan aanwezig, maar er werd wel over het lot van een heel continent beslist. Op dertig jaar tijd werd een heel werelddeel ‘gekoloniseerd’ en onder Europees bestuur gebracht.

Ook vandaag bespreken de grootmachten de condities. Het gebeurt allemaal van bovenaf. ‘Boven onze hoofden’, zeggen de mensen. Het is niet de droom van onderuit. Daar kan bijvoorbeeld schrijfster Aundhati Roy in India over meespreken. Lees haar analyse in deze nieuwsbrief.

Er mogen – antropologisch gesproken – veel systemen bestaan om die droom weer in herinnering te brengen en ermee aan de slag te gaan. Alleen kan het geen totalitair, autocratisch, theocratisch, hiërarchisch en vernietigend systeem zijn. De dèmos, het volk, zal er toch bij betrokken moeten worden.

In het (Oud-)Grieks-Nederlands woordenboek – ook van 1962 – vinden we voor dèmos het volgende. Het woord komt van daiomai, verdelen. De eerste betekenis is “het gemeenschappelijk land, dat in erfpacht verdeeld wordt en dan met gemeenschappelijke hulp ontgonnen: meent”. De tweede betekenis is “land en volk dat het land bewoont, het lagere volk, de grote massa, menigte”. De derde betekenis betreft de ‘ge-meente’, volksafdeling, district. Tenslotte is er ook “het volk als politieke eenheid, specifiek het vrije soevereine volk in de democratie van Athene en elders”.

De aarde als ‘meent’, als ge-meen-schappelijke grond? Er valt over na te denken, te dromen.

Die dèmos moet zich willen, mogen en kunnen melden. Ook hier in Europa, waar de neiging bestaat om in te dommelen en de verantwoordelijkheid aan hogere (politieke) machten af te geven. Hoop, verantwoordelijkheidszin en actie gaan samen, zo leert de geschiedenis… als die tenminste niet van bovenaf wordt herschreven.

Voor de CIMIC-kernredactie,

Marc Colpaert
Jan Van Criekinge
Luc Vankrunkelsven
Pascal Blancquaert
Koen Stuyck


Lees verder (inhoud april 2023)


We gebruiken cookies om inhoud te personaliseren, om functies voor sociale media aan te bieden en om ons verkeer te analyseren. We delen ook informatie over uw gebruik van onze site met onze partners op het gebied van sociale media, reclame en analyse. View more
Accept
Decline