Algerije -Frankrijk: “Verontschuldigingen alleen zullen niet volstaan”, zegt historicus Benjamin Stora

Op 5 juli 1962 werd Algerije onafhankelijk na een lange en bloedige strijd tegen het Franse koloniale bestuur. Twee dagen eerder had de toenmalige Franse president Charles de Gaulle de uitslag van het volksreferendum van 1 juli officieel erkend. 99,72 procent van de Algerijnse kiezers had zich resoluut vóór onafhankelijkheid uitgesproken. Aan bijna anderhalve eeuw Frans kolonialisme in Noord-Afrika (sinds 1830) en een bijzonder bloedige oorlog (1954-1962), die Frankrijk zelf op de rand van een burgeroorlog had gebracht, kwam een einde.

Bijna zestig jaar later blijven de verhoudingen tussen beide landen vaak erg moeizaam en gespannen. Het onverwerkte koloniale verleden staat een echte verzoening in de weg. De ‘Algerijnse kwestie’ verdeelt ook nu nog het politieke debat bij onze zuiderburen.

Want, anders dan bijvoorbeeld in Belgisch-Congo, woonden in Algérie française meer dan één miljoen Fransen. Velen van hen hadden zich al generaties geleden in het land gevestigd, vaak als landbouwers op grote domeinen, en waren Algerije als ‘hun land’ gaan beschouwen. In hun ogen was een onafhankelijk Algerije onder het bestuur van de lokale moslim-nationalisten van het FLN (Front de Libération Nationale) totaal ondenkbaar.

Algerije zou ten eeuwige dagen een hechte band met het Franse moederland behouden. Dat was uiteraard niet wat de groeiende onafhankelijkheidsbeweging in de jaren vijftig wilde, surfend op de algemene dekolonisatiegolf in Afrika. Een gewapende confrontatie was het gevolg.

Op 18 maart 1962 werden in het Franse kuuroord Evian de akkoorden getekend die een einde zouden maken aan de Algerijnse oorlog. Een dag later werd het staakt-het-vuren van kracht. Een van de bepalingen voorzag in het houden van een volksreferendum waarin de Algerijnse bevolking zich zou kunnen uitspreken over onafhankelijkheid.

De Gaulle kon niet anders dan de onafhankelijkheid te erkennen, hoewel hij wist hoe zeer hij daarmee tegen een groot deel van zijn eigen kiespubliek inging. Frankrijk stond immers op de rand van een burgeroorlog over de Algerijnse kwestie. De Vierde Republiek was er in 1958 zelfs aan ten onder gegaan.

De Organisation armée secrète (OAS), geleid door extreemrechtse Franse officieren, pleegde in 1961-1962 zowel terroristische aanslagen tegen voorstanders van de onafhankelijkheid in Algerije als in Frankrijk zelf. In augustus 1962 ondernamen OAS-leden zelfs een (mislukte) moordpoging tegen De Gaulle.

Op 17 oktober 1961 was een vreedzame betoging van tienduizenden Algerijnse migranten in Parijs nog uitgelopen op een bloedbad met waarschijnlijk een tweehonderdtal doden door de brutale politierepressie onder het bevel van de beruchte Parijse politiechef Maurice Papon. Lijken van Algerijnse betogers werden in de Seine gedumpt. Volgens een officieel rapport vielen er drie doden.

Bomaanslag door de OAS tegen voorstanders van onafhankelijkheid in de wijk Bab-el-Oued in Algiers op 1 januari 1962 (foto: Publiek domein).

De onafhankelijkheid werd uiteindelijk in Algiers op 5 juli 1962 uitgeroepen. Precies de dag dat in 1830 Hussein, de Ottomaanse dey van Algiers, zich moest overgeven aan de Franse overmacht die al enkele weken Algiers belegerde.

Overal in het land braken spontane volksfeesten uit om de lang verwachte onafhankelijkheid te vieren. In Oran werd de feestvreugde getemperd toen een honderdtal Europeanen werd gedood door op wraak beluste strijders. Dit deed de exodus van Fransen nog versnellen.

Volgens schattingen van de Franse historicus Benjamin Stora, die een indrukwekkend oeuvre heeft gepubliceerd over de recente Algerijnse geschiedenis, zou de oorlog tussen 1954 en 1962 aan 350.000 tot 450.000 mensen het leven hebben gekost, ruim 3 procent van de toenmalige Algerijnse bevolking. De verwoestingen van de oorlog worden op 27 tot 50 miljard Franse frank geschat of ongeveer 15 procent van het Algerijnse BBP in 1961.

Betoging op 16 januari 1962 van studenten in Toulouse vóór de onafhankelijkheid en vrede in Algerije en tegen de OAS (foto: Publiek domein).

Aan Franse kant sneuvelden ongeveer 25.000 militairen, onder wie ook Algerijnse dienstplichtigen in Franse dienst. In Frankrijk groeide het verzet onder dienstplichtigen die weigerden om in een koloniale oorlog mee te vechten: 11.000 dienstweigeraars, 400 pacifistische gewetensbezwaarden en ruim 900 deserteurs waren er het gevolg van.

Ongeveer 3.000 Franse burgers die in Algerije woonden, werden tijdens het conflict gedood. Eén miljoen Fransen, pieds-noirs (in Algerije geboren Fransen), harkis (Algerijnen in dienst van het Franse leger, de overheid en hun familieleden, zij werden door FLN-aanhangers als ‘collaborateurs’ beschouwd) en Joden verlieten het land kort voor of na de onafhankelijkheid.

Systematische wreedheden en martelingen van tegenstanders waren courante praktijken geweest tijdens dit conflict, waarvan de sporen zestig jaar later nog bijzonder veel emotie oproepen in de samenleving, zowel in Frankrijk als in Algerije, getuige de stroom aan debatten, publicaties en boeken.

Controversieel Algerije-monument in het Zuid-Franse Béziers (departement Hérault) ter nagedachtenis aan vier leden van de OAS die werden ter dood veroordeeld en geëxecuteerd door de Franse justitie voor hun aandeel in terroristische aanslagen tijdens de Algerijnse oorlog. Béziers heeft sinds 2014 Robert Ménard als burgemeester, die werd verkozen met grote steun van de extreemrechtse partij Rassemblement National (Le Pen). Ménard heeft zijn sympathie voor l’Algérie française nooit onder stoelen of banken gestoken. Béziers « est devenue le centre de ralliement des nostalgiques de l’Algérie française à l’occasion de l’organisation d’événements réguliers », luidt het in de Franse pers.

Het FLN, de historische nationale bevrijdingsbeweging die in 1954 was opgericht als een koepelorganisatie van diverse partijen om de onafhankelijkheid na te streven in het kader van het pan-Arabisch nationalisme, kreeg in de zomer van 1962 een verdeeld en verwoest land in handen.

Na een zware interne ideologische machtsstrijd tussen de voorlopige regering (GPRA) van Benkhedda, die al in 1958 ondergronds was gevormd, en het politiek bureau van het FLN, kon Ferhat Mekki Abbas op 16 juli 1962 een akkoord bereiken met de aanhangers van Ahmed Ben Bella, die veeleer een eenpartijstaat naar sovjetmodel voorstonden.

Abbas werd de eerste voorzitter van de Assemblée nationale constituante (ANC) en aldus voorlopig staatshoofd, maar bleef als ‘liberaal’ wel een tegenstander van een eenpartijstelsel.

Na zijn terugkeer in Algiers kon Ben Bella, een van de ‘negen historische’ FLN-leiders, op 27 september 1962 alle macht naar zich toetrekken door voor zichzelf de functie van ‘premier’ te creëren. Op 15 september 1963 werd hij verkozen tot leider van de eenheidspartij en de eerste president van de Democratische Volksrepubliek Algerije.

In 1965 werd hij bij een staatsgreep opzijgezet door zijn vroegere medewerker en legerleider Houari Boumédiène. Ben Bella overleed op 11 april 2012.

De opdracht van president Macron

Op 24 juli 2020 gaf de Franse president Emmanuel Macron aan historicus Benjamin Stora de opdracht een rapport te schrijven over de manier waarop de Franse samenleving zou moeten omgaan met de herinnering aan de kolonisatie en de Algerijnse oorlog. Maar vooral om middelen te bedenken die de verzoening tussen Frankrijk en Algerije zouden kunnen helpen bevorderen. Dit ter voorbereiding van de zestigste verjaardag van de onafhankelijkheid in 2022.

De gerespecteerde historicus heeft zich niet alleen van zijn taak gekweten op basis van de immense bestaande geschiedschrijving, waaraan hij zelf een niet onbelangrijke bijdrage heeft geleverd, maar ook door tientallen gesprekspartners van alle zijden uit het conflict te ontmoeten, voor zover ze nog in leven waren…

Om tot een evenwichtige bijdrage van alle herinneringen te komen, mocht geen enkele categorie actoren worden uitgesloten: van onafhankelijkheidsstrijders tot pieds-noirs, van Franse soldaten tot harkis, van Algerijnse Joden tot ‘liberale’ Europeanen, van communisten tot extreemrechtse nostalgische aanhangers van Frans Algerije.

De Franse historicus en Algerije-specialist Benjamin Stora, geboren op 2 december 1950 in de Algerijnse stad Constantine in een Algerijns-Joods gezin dat in juni 1962 naar Frankrijk emigreerde. Stora was jarenlang hoogleraar koloniale geschiedenis aan de Université-Paris-13. Hij werd in 2014 ook wetenschappelijk raadgever bij Cité nationale de l’histoire de l’immigration, het Franse onderzoekscentrum en museum over de migratie aan de Porte Dorée in Parijs (foto: ©Vincent Fournier / Jeune Afrique).

Het resultaat van dit immense onderzoekswerk werd in januari 2021 voorgesteld op het Elysée: het zogenaamde rapport-Stora. In maart 2021 verscheen dan een publicatie bij uitgeverij Albin Michel gebaseerd op het rapport onder de titel: ‘France-Algérie, les passions douloureuses’.

Dit overzicht wordt gevolgd door een aantal gedurfde voorstellen, die zowel betrekking hebben op de symboliek als op de toegang tot historische archieven, ten einde deze ‘pijnlijke hartstochten’ beter te leren kennen en vooral te erkennen.

Stora wil echter verder kijken dan de laatste maanden van de Algerijnse oorlog (1961-1962). Volgens hem moet heel de koloniale periode (1830-1962) in rekening worden gebracht als het gaat over de verhoudingen tussen beide kanten van de Middellandse Zee.

Stora zegt dat de heel verschillende interpretatie van de Algerijnse oorlog aan Franse en Algerijnse kant een gevolg is van het onverwerkte verleden van kolonisatie en onrecht. De tegenstellingen tussen Algerijnse nationalisten en Franse kolonialen berusten vaak op al te zeer gepolariseerde zwart-wittegenstellingen die in de praktijk in Algerije vaak veel minder scherp waren.

Uit interviews met Algerijnse nationalistische leiders (vooral FLN) blijkt dat ze bijna allemaal zonder uitzondering geïnspireerd waren door de idealen van de Franse Revolutie en eigenlijk helemaal niet anti-Frans waren, maar zich verzetten tegen het koloniale systeem dat precies de juridische ongelijkheid tussen Fransen en Algerijnen bestendigde. En eigenlijk een aanfluiting vormde van de idealen van de revolutie.

Een zogenoemd ‘commando-de-chasse’, Algerijnse soldaten in Franse dienst, tijdens de Algerijnse oorlog in 1961 (foto: Wikipedia).

Aanvankelijk erkenden de nationalistische leiders ook de grote pluriformiteit van de Algerijnse bevolking: de Berberse identiteiten, een islam in al zijn verscheidenheid, het Arabisch nationalisme, het groeiende panafrikanisme en socialisme, en zeker ook de Joodse wortels van vele stedelingen. Maar door de wreedheden en de oorlogslogica werd de focus enger en was er minder plaats voor afwijkende minderheidsstandpunten en culturen.

In een lezing van begin mei voor het Institut du Monde Arabe (IMA) in Parijs waarschuwde Stora dat men in Frankrijk, vandaag, vanuit een bepaalde politieke hoek de koloniale geschiedenis van Algerije graag wil verengen zodat die absoluut geen recht doet aan de grote verscheidenheid. “Vooral de rol die de islam speelde in de onafhankelijkheidsstrijd wordt momenteel schandalig misbruikt in een gevaarlijk politiek spel voor binnenlands Frans gebruik”, zei hij. FLN-aanhangers vonden de islam vaak belangrijk, maar het was zeker niet hun enige inspiratiebron.

Een praktisch probleem bij het wetenschappelijk onderzoek over de Algerijnse oorlog vormen de archieven: vele geheime militaire archieven zijn nog altijd niet toegankelijk voor onderzoekers of er gelden allerlei bureaucratische maatregelen. Daarom benadrukt Stora het belang van orale geschiedenis, zelfs al zijn de directe getuigen ondertussen bijna allemaal overleden of alleszins hoogbejaard.

Omdat niemand van de Franse politiek en militair verantwoordelijken van de Algerijnse oorlog nog in leven is, wordt nu in Frankrijk gesproken van ‘amnestie’, want niemand kan nog juridisch worden vervolgd voor oorlogsmisdaden of misdaden tegen de menselijkheid.

Alleen enkele reactionaire en extreemrechtse groepen in Frankrijk dromen nog van een ‘Algérie française’, maar dat is een compleet achterhoedegevecht, vindt Stora. De erkenning door Macron van de Franse betrokkenheid bij moorden op FLN-kopstukken door de Franse koloniale politie en leger vindt Stora een stap in de goede richting. Symbolische gestes kunnen bijdragen tot betere wederzijdse relaties.

Maar ook de erkenning dat de nucleaire testsites in de Algerijnse Sahara een enorme schade hebben veroorzaakt, verdient erkenning. Dit houdt in de betaling van herstelbetalingen aan de lokale bevolking die hier zwaar onder geleden heeft.

Een zuiver ideologisch dispuut over het kolonialisme leidt nergens toe: iedereen zal anno 2021 moeten erkennen dat op basis van historisch-wetenschappelijk onderzoek de koloniale samenleving er een was van extreme dominantie, ongelijkheid en uitbuiting op een racistische basis. Blijven spreken over de ‘zegeningen’ van de kolonisatie zal echt niets bijbrengen.

Jan Van Criekinge


Interview met Benjamin Stora over zijn rapport door Renaud de Rochebrune voor Jeune Afrique

Vooruitlopend op de zestigste verjaardag van de onafhankelijkheid van Algerije in 2022 heeft de Franse president Emmanuel Macron in 2020 aan historicus Benjamin Stora de opdracht gegeven een rapport te schrijven over “de vooruitgang die in Frankrijk is geboekt met betrekking tot de herinnering aan Algerije en de oorlog in Algerije”. Stora heeft zijn bevindingen op 20 januari 2021 ingediend.

Vooral door de ziekenhuisopname wegens een coronabesmetting van de Algerijnse president Abdelmadjid Tebboune, met wie Macron het idee van het rapport had willen bespreken voordat hij de opdracht gaf, heeft Stora zijn bevindingen pas op 20 januari 2021 ingediend.

Wanneer men de taakomschrijving van Stora’s rapport leest, klinkt het als een rechttoe rechtaan academische studie over een gespecialiseerd historisch onderwerp, maar dit is verre van het geval. Het project is het resultaat van een gezamenlijke dialoog tussen de autoriteiten van beide landen, waarbij de Algerijnse president Abdelmadjid Chikhi, directeur-generaal van het Nationaal Centrum voor Algerijnse Archieven, heeft aangewezen als Stora’s tegenhanger die belast is met het verrichten van onderzoek vanuit een Algerijns perspectief.

Het rapport-Stora heeft duidelijk veel belangstelling gewekt aan beide zijden van de Middellandse Zee, waar zowel positieve als negatieve commentaren – die laatste meestal ongeïnformeerd door de eigenlijke inhoud van het rapport – door de media eindeloos zijn herhaald.

De historicus heeft zich er zelfs verbaasd over het aantal politieke persoonlijkheden en de grote verscheidenheid aan leiders van organisaties, om niet te spreken van militaire vertegenwoordigers – te beginnen met de stafchef van het Franse leger – en intellectuelen en historici die gespecialiseerd zijn in koloniale studies, die erop gebrand waren hem te ontmoeten voordat hij zijn lange rapport (147 p. in totaal) zou schrijven.

De omvang van het rapport is ongekend. Macron beschreef het als een teken van niets minder dan de “bereidheid om de verzoening tussen het Franse en Algerijnse volk te bevorderen”. Het dient ook als een uitbreiding van zijn recente initiatieven, die teruggaan tot februari 2017 (toen hij naar het koloniale systeem verwees als een misdaad tegen de menselijkheid) en de zomer van 2018 (toen hij erkende dat de Franse regering verantwoordelijk was voor de dood van Maurice Audin, een wiskundige met nauwe banden met het FLN, tijdens de Slag om Algiers).

Gedenksteen voor de Franse slachtoffers van een schietpartij in Algiers op 26 maart 1962. Begraafplaats van Béziers (dep. Hérault).

De Franse president is, net als zijn Algerijnse ambtgenoot en de auteur van het rapport, van mening dat kwesties die voortvloeien uit de tegenstrijdige herinneringen van de twee landen over de Algerijnse oorlog en de kolonisatie openlijk moeten worden aangepakt, wil er echt sprake zijn van verzoening.

Aan Algerijnse zijde zijn er leiders die de voormalige koloniale mogendheid regelmatig oproepen ‘berouw te tonen’, en aan de andere kant staan Franse figuren die er een punt van maken de ‘positieve aspecten’ van de kolonisatie te blijven benadrukken, waarmee zij duidelijk maken dat de nog bestaande barrières niet gemakkelijk te overwinnen zullen zijn.

Maar Stora denkt dat vooruitgang mogelijk is, vooral als de reeks concrete acties die in zijn rapport worden aanbevolen, ook effectief worden uitgevoerd – acties die zouden aantonen dat beide partijen vooruitgang willen boeken voor het welzijn van hun burgers – en als Frankrijk en Algerije het “valse dilemma tussen een overmaat aan herinnering en een totaal gebrek daaraan” kunnen omzeilen.

In het rapport wordt niet alleen uitvoerig ingegaan op “de littekens, de blijvende erfenis en de nawerkingen van de herinnering aan de kolonisatie en de Algerijnse oorlog op de Franse samenleving”, maar wordt ook een reeks nieuwe initiatieven voorgesteld die Frankrijk zou kunnen nemen om de weg te effenen voor een ‘verzoening van herinneringen’. Hoewel het werk van Stora ook de Algerijnse kant van het verhaal belicht, mag niet uit het oog worden verloren dat het in opdracht van de Franse regering is opgesteld.

In het onderstaande interview – dat werd afgenomen nadat het rapport was voltooid, maar nog kort voordat het werd ingediend – bespreekt Stora welke vorm een assortiment van deze initiatieven zou kunnen aannemen. Aan het eind van het rapport voegde Stora een uitgebreide lijst toe van ‘gebaren van goede wil’ die Frankrijk en, in mindere mate, Algerije zouden kunnen maken om de betrekkingen tussen de twee voormalige oorlogvoerende partijen te verbeteren (zie ‘Stora’s aanbevelingen’ onderaan het interview).

Waarom is vorig jaar opdracht gegeven voor het rapport over de geschiedenis van de kolonisatie van Algerije en de herinnering aan de Algerijnse oorlog? Alleen maar omdat de 60ste verjaardag van het einde van de oorlog nadert?

Benjamin Stora: “Zo eenvoudig liggen de zaken niet, maar ik zou zeggen dat dit wel degelijk een bijzonder moment in de geschiedenis is. Om te beginnen heeft Frankrijk een aanzienlijk en steeds groter deel van zijn archieven over de koloniale periode opengesteld. Dit proces kwam op gang in de jaren 1990, nadat Pierre Joxe de regering ertoe had aangezet haar militaire archieven open te stellen, een stap waardoor het historisch onderzoek een enorme vooruitgang heeft geboekt op gevoelige onderzoeksterreinen, zoals justitie, foltering en gewetensbezwaarden tijdens de Algerijnse oorlog.”

“De hoeveelheid beschikbare archieven is tegenwoordig veel groter dan ooit. Ik zou het beter moeten weten dan wie ook, aangezien ik me al meer dan 45 jaar bezighoud met koloniale geschiedenis, met speciale aandacht voor Algerije. Natuurlijk wordt er nog steeds gestreden om de archieven verder uit te breiden, maar er is grote vooruitgang geboekt.”

“Ten tweede, en dit is zeer belangrijk, is het koloniale verleden bepalend, zo niet centraal geworden voor ons begrip van de geschiedenis van Frankrijk, terwijl het lange tijd als marginaal werd beschouwd. Dit verleden, zo hebben wij ons gerealiseerd, is er een dat Frankrijk mede heeft aangewakkerd.”

Dient het verslag ook om het verhaal te vertellen van degenen die deze periode nog hebben meegemaakt?

“Vandaag hebben we in Frankrijk jongeren die migranten van de tweede, derde of vierde generatie zijn en die hun geschiedenis willen ontdekken en een glimp van het verleden willen opvangen. Zij willen weten wat hun vaders, grootvaders, enz. hebben meegemaakt en hoe zij hier zijn terechtgekomen, waarom zij een bepaalde identiteit hebben en waar zij staan ten opzichte van de rest van de Franse samenleving.”

“Dit verlangen om te begrijpen en burger te zijn is iets nieuws. Bovendien sterven de Algerijnen die de koloniale periode persoonlijk hebben meegemaakt, uit. Dat Algerije zal binnenkort niet meer bestaan. Algerijnen die nu 70, 80 of 90 jaar oud zijn, willen hun verleden doorgeven, uitleggen, praten en rationaliseren. Zij zijn niet langer tevreden met de conventionele, gemakkelijke verhalen die hen tot voor kort toelieten te zwijgen en te denken dat zij op die manier de jongere generaties zouden beschermen.”

“Een andere reden voor deze verschuiving is dat de wereld is veranderd. De stroom van ideeën, informatie, kennis, archieven, verslagen en zelfs mensen is in de afgelopen 20 jaar naar een nieuw niveau getild. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de koloniale geschiedenis nu een prominente plaats inneemt in Franse politieke, intellectuele en journalistieke kringen.”

Hoe is de verhouding van Frankrijk tot de oorlog en de kolonisatie veranderd van de ene Franse president tot de andere?

“Macron vertegenwoordigt de derde generatie Franse politici die te maken heeft gehad met de gevolgen van de Algerijnse oorlog.”

“De eerste generatie was die van generaal Charles de Gaulle en François Mitterrand, en anderen die tijdens de Algerijnse oorlog een ambt bekleedden, zoals Guy Mollet, of degenen die de oorlog van dichtbij zagen gebeuren, zoals Jacques Chirac, Michel Rocard en Joxe. Hun kijk op de geschiedenis werd onvermijdelijk gekleurd door een gevoel van spijt en verlies, ook al trachtten zij allen diplomatieke en economische banden te onderhouden met het pas onafhankelijke Algerije.”

Een herdenkingsmonument voor de Franse koloniale aanwezigheid in Noord-Afrika tussen 1830 en 1962 op de stedelijke begraafplaats van Narbonne (dep. Aude).

“Vervolgens kwam een tweede generatie leiders – Nicolas Sarkozy en François Hollande – aan de macht. Deze mannen zijn geboren tijdens de oorlog, in het midden van de jaren 1950, maar hebben die niet meer bewust meegemaakt. Je zou denken dat deze leiders vrij van complexen zijn, maar Frans-Algerije heeft, zelfs indirect, zijn stempel op hen gedrukt. Ze zijn steevast gevormd door de littekens die deze geschiedenis in de jaren zeventig en tachtig op de Franse samenleving heeft achtergelaten – littekens die duidelijk zichtbaar zijn in hun politieke loopbaan.”

“Maar nu met Macron aan het roer, hebben we te maken met een heel andere generatie, de derde, en zij zijn nieuwsgierig naar de oorlog, zoals alle jongeren in Frankrijk vandaag. Ze zijn geïnteresseerd in de oorsprong en het verleden, maar voelen er zich niet aan gebonden. Er is geen reden meer om op de tong te bijten of taboes in stand te houden.”

“Deze nieuwe generatie is ongegeneerd. Waarom niet praten over de verschrikkingen van het koloniale verleden en de positieve aspecten die er in die periode geweest kunnen zijn? De nieuwe generatie wordt niet verpletterd door het gewicht van de geschiedenis, en dat maakt het verschil.”

Maar waarom heeft Macron dit onderwerp tot een belangrijk onderdeel van zijn programma gemaakt?

“Omdat het een onderwerp is dat dwars door het collectieve geheugen van Frankrijk snijdt. En het gaat niet alleen, zoals de president aangaf, om jongeren die een band hebben met Algerije, maar om elke jongere wiens ouders afkomstig zijn uit een voormalige Franse kolonie.”

“Alles wat in die periode van de geschiedenis is gebeurd, houdt verband met de problemen waarmee wij vandaag worden geconfronteerd en die wij niet uit de weg kunnen gaan: segregatie, sociale hiërarchie, racisme, betrekkingen tussen het Zuiden en het Noorden, de verhouding tot het gezag en de plaats van de godsdienst, met name de islam, in Frankrijk.”

Als het probleem van het verzoenen van de herinneringen nog steeds zo acuut is, komt dat dan niet ook doordat de mensen aan beide zijden van de Middellandse Zee betrokken zijn in geruchten en heroïsche verhalen, een emotioneel gevoed verslag van de oorlogsgebeurtenissen, meer dan op historisch onderzoek?

“Het is belangrijk te begrijpen in welke situatie het historisch onderzoek zich lange tijd bevond.”

“In de jaren zeventig en tachtig waren er slechts weinigen die zich met dit onderwerp bezighielden. En dat was niet alleen te wijten aan het feit dat de meeste archieven nog gesloten waren. Niemand in het politieke, intellectuele of culturele establishment was geïnteresseerd in het onderzoeken van dit deel van het verleden en het werd beschouwd als ver weg en ondergeschikt.”

“Separatistisch nationalisme, en dus de Algerijnse oorlog, werd gezien als een achterhaalde kwestie. Na golven van belangstelling voor socialisme en Derde Wereld-revoluties stonden in de jaren tachtig de republiek, de Franse identiteit en de ‘natie’ weer op de agenda. Deze tendensen droegen dus bij tot een schaarste aan historisch onderzoek.”

“Als er al sprake was van censuur, dan kwam die in de eerste plaats van de maatschappij, die een traumatisch verleden niet onder ogen wilde zien, grotendeels evenzeer als van de overheid, die haar geheimen angstvallig bewaakte. Het is belangrijk te onthouden dat men in Frankrijk in die tijd zei dat er niet genoeg films over de Algerijnse oorlog waren, terwijl er in werkelijkheid meer dan genoeg films waren. De mensen keken er gewoon niet naar.”

Een recent opgericht herdenkingsmonument voor de Franse doden in l’Algérie française op een begraafplaats in Marignane (dep. Bouches-du-Rhône).

De vier delen van de serie ‘La guerre d’Algérie’ van Yves Courrière waren eind jaren zestig en begin jaren zeventig toch immens succesvol?

“Dat is waar, en Courrière deed meer dan alleen die vierdelige serie over de Algerijnse oorlog. Hij was gedurende enkele jaren hoofdredacteur van het tijdschrift Historia – La Guerre d’Algérie, waarvan de oplage een hoogtepunt bereikte van 500.000 exemplaren. Het was in feite een symptoom. Ik heb dit besproken in mijn boek ‘La gangrène et l’oubli’.

“Dat betekende dat ondanks het feit dat de samenleving bewust of onbewust een staat van amnesie aan het creëren was over de kwestie in het publieke domein, de Algerijnse oorlog weigerde naar de achtergrond te verdwijnen.” “Courrière heeft de barrières opgeheven. Het is de manifestatie van een onhoudbare vergeetachtigheid die enkele jaren na het einde van de oorlog de kop opstak. Maar er waren barrières en hij ontleende er zijn succes aan.”

Is wat wij vandaag zien een vorm van wraak van de geschiedenis op deze toestand van geheugenverlies en zal het de historici in staat stellen hun werk ongehinderd te doen?

“Wraak is een te sterk woord, maar het is waar dat de grote namen – zoals Pierre Vidal-Naquet en Germaine Tillion – die over het kolonialisme en de Algerijnse oorlog schreven, lange tijd meer dan wat ook de hoeders van het geheugen waren. Deze geëngageerde publieke figuren speelden een cruciale rol. Vandaag, naarmate de tijd verstrijkt en ooggetuigen uitsterven, is het gemakkelijker om een stap terug te zetten en ons te ontdoen van officiële verslagen en ideologieën.”

Hoe is het mogelijk om ‘herinneringen met elkaar te verzoenen’ – het doel van uw verslag – wanneer mensen aan beide zijden van de Middellandse Zee een andere versie vertellen van dezelfde gebeurtenissen in de oorlog?

“In mijn verslag ga ik deze vraag niet uit de weg, maar ik heb ook niet de pretentie ze op te lossen. Het is niet de bedoeling om een collectieve geschiedenis van Frankrijk en Algerije te schrijven. Ik geloof niet dat dit mogelijk is, gezien de mate waarin de opvattingen en de verbeelding van de mensen uiteenlopen.”

“Je kunt het onverzoenlijke niet met elkaar verzoenen en ik beweer ook niet dat ik dat doe. We hebben het over een koloniale geschiedenis waarin aan de ene kant mensen hun land werd afgenomen en er bloedbaden en deportaties plaatsvonden, en aan de andere kant heb je mensen die dachten dat zij een ‘beschavende’ en ‘culturele’ kracht waren, een kracht die een land opbouwde door wegen, ziekenhuizen en andere infrastructuur aan te leggen.”

“Dit zijn duidelijk twee tegengestelde visies die niet met elkaar te verzoenen zijn. Maar onder deze visies ligt niettemin een culturele vermenging die heeft plaatsgevonden, banden die zijn gesmeed, contacten die zijn gelegd en een saamhorigheid die heeft bestaan: bijna 150 jaar Franse aanwezigheid in Algerije, vijf generaties omspannend, is geen kleinigheid!”

“Er is dus nog een geschiedenis waaruit we kunnen putten, niet als een manier om verzoening tot stand te brengen, want dat kan niet, maar om punten van overeenkomst te vinden. Als we die geschiedenis aanboren, zien we dat er dingen zijn die ons samenbrengen en mogelijke wegen voor samenwerking, en dat stelt ons in staat om ons samen een soort toekomst voor te stellen, met behulp van concrete initiatieven: een eerbetoon aan degenen die in de oorlog zijn gedood of vermist, bevordering van literatuur, enz.”

Over literatuur gesproken: hoe kun je verhalen over de oorlog schrijven die aan beide zijden van de Middellandse Zee goed ontvangen worden?

“Het Frans wordt nog steeds veel gebruikt in Algerije. De Algerijnse schrijver Kateb Yacine schreef ooit dat de Franse taal ‘onze oorlogsbuit’ is. Ik denk dat het mogelijk is fictieve verhalen te schrijven die aan beide zijden van de Middellandse Zee goed ontvangen worden en dat is ook al gebeurd. Om maar één voorbeeld te noemen: Alexandre Arcady bewerkte de roman van Yasmina Khadra, ‘Ce que le jour doit à la nuit’ tot een Franse film, ook al werd deze specifieke regisseur beschouwd als nauwer verbonden met de pieds-noir-gemeenschap dan met de Algerijnen. De film werd een welverdiende hit.”

Filmaffiche van de Franse speelfilm uit 2012 ‘Ce que le jour doit à la nuit’, gebaseerd op de roman van Yasmina Khadra.

“Het is mogelijk collectief te werken aan voorstellingen en verbeeldingen die verhalen over passie, scheiding, haat en zelfs liefde overbrengen. Het veroordelen van de realiteit van het kolonialisme in Algerije sluit literaire mogelijkheden niet uit.”

Is de kwestie van Franse verontschuldigingen, waartoe veel Algerijnse publieke figuren oproepen, niet een groot struikelblok in de relaties tussen beide landen?

“Deze eis kan in Algerije niet op unanieme steun rekenen. In het rapport leg ik uit waarom het uitbrengen van een formele verontschuldiging een optie is die het overwegen waard is. In Constantine en Algiers hebben respectievelijk de voormalige presidenten Sarkozy en Hollande toespraken gehouden waarin zij zinspeelden op de Franse wandaden, dat was een stap in die richting. Maar ik denk niet dat verontschuldigingen de kern van het probleem raken.”

“Het probleem van de kolonisatie gaat immers veel dieper. Er zijn fundamentele historische krachten aan het werk: de verankerde koloniale ideologie in de Franse samenleving, het geloof dat men superieur was aan de gekoloniseerden, de uitvinding van het Franse nationalisme via het koloniale imperium, en later het besef dat het Franse rijk aan het inkrimpen was en Frankrijk zijn status in de wereld aan het verliezen was. Een loutere formele verontschuldiging zou de situatie niet fundamenteel veranderen.”

“De verontschuldigingen die Japan aan Zuid-Korea en China heeft aangeboden in verband met de misdaden die het beging tijdens zijn koloniale overheersing, hebben op deze samenlevingen weinig effect gehad. Bovendien weerhouden ze de Japanse leiders er niet van om op gezette tijden hun respect te betuigen aan oorlogsmisdadigers.”

“Niemand heeft Aimé Césaires briljante aanklacht uit 1955 tegen het koloniale systeem kunnen overtreffen. Zo’n 65 jaar later is zijn toespraak nog steeds ongeëvenaard in zijn boodschap, argumenten, grondigheid en complexiteit.”

Wat moet er volgens u gebeuren?

“We moeten ons ervan bewust worden dat we nog een lange weg te gaan hebben, waarbij we concrete acties moeten ondernemen. Ten eerste moeten we het publiek beter informeren door middel van lesprogramma’s op scholen, films, conferenties, enz. Om dergelijke initiatieven op gang te brengen, zou het nuttig zijn een reeks gemeenschappelijke organen op te richten, waarvan ik er een de naam ‘Herinnerings- en waarheidscommissie’ zou willen geven.”

Welke concrete acties kunnen snel worden uitgevoerd? In het verslag worden vier domeinen genoemd: kernproeven, archieven, begraafplaatsen en vermiste personen.

“Er is geen hiërarchie van prioriteiten. Maar ik zou nog een punt aan de lijst willen toevoegen: de oprichting van een soort Frans-Algerijnse jeugdorganisatie, die belast zou worden met het bedenken en regisseren van audiovisuele producties. En natuurlijk is het belangrijk dat wij het verkeer van personen tussen beide landen vergemakkelijken.”

Franse militairen wonen een geheime nucleaire test bij onder de codenaam Gerboise bleue, op 13 februari 1960, in volle Algerijnse oorlog, in de streek van Reggane, in de Algerijnse Sahara (foto: Wikipedia).

Waarom is het zo moeilijk om de menselijke en materiële kosten te onderzoeken van de Franse atoomproeven die voor en na de onafhankelijkheid in de Algerijnse Sahara zijn uitgevoerd?

“Wij zouden een inventaris moeten opmaken van de acties die ter plaatse moeten worden ondernomen en de betrokken personen moeten worden geïdentificeerd. Op dat vlak lopen we zeker achter.”

“Dit is de schuld van Frankrijk, hoewel Algerije ook zijn rol heeft gespeeld, aangezien de proeven na de onafhankelijkheid zijn voortgezet overeenkomstig de Akkoorden van Évian uit 1962. Wat ik met zekerheid kan zeggen, is dat Frankrijk prioriteit heeft gegeven aan het aanpakken van de gevolgen van de kernproeven in Frans Polynesië. Nu moeten we de verloren tijd inhalen.”

Wat valt er nog te doen aan de archieven?

“We moeten ons niet blindstaren op de kwestie van het openen van meer archieven, hoewel we naar dat doel moeten blijven streven. Het is bijna een mantra geworden, zo niet een fantasie, omdat een horde academici onderzoek doet en hun werk publiceert dankzij de enorme hoeveelheid documenten waarover zij nu beschikken.”

“Het gebied dat waarschijnlijk de meeste onmiddellijke aandacht behoeft, is de tijdrovende aard van het raadplegen van de archieven: veel documenten zijn als ‘staatsgeheim’ geclassificeerd. Dit obstakel moet worden overwonnen.”

“Een tweede probleem betreft de noodzaak om de mobiliteit van onderzoekers en hun toegang tot documenten verder te vergemakkelijken. Het vinden van een manier voor Algerijnse onderzoekers om naar Frankrijk te komen en de archieven te raadplegen en voor internationale onderzoekers, met name Franse, om toegang te krijgen tot de archieven van Algerije is een andere belangrijke kwestie.”

Waarom zijn begraafplaatsen een netelige kwestie?

“Het is niet altijd gemakkelijk om de honderden begraafplaatsen die dateren uit de koloniale tijd te behouden en te onderhouden. En de zeer hoge kosten zijn niet het enige probleem.”

“Zo vroeg mijn vader me lang geleden om het graf van mijn grootvader in Khenchela te bezoeken. Wat ooit een klein dorp was van slechts een paar duizend inwoners toen hij daar begraven werd, was een stad geworden met meer dan 100.000 inwoners.”

“De begraafplaats lag aan de rand van het dorp, maar is mettertijd het centrum van de stad geworden. De kwestie van het behoud van de begraafplaats was dus een heel ander probleem geworden. We overwogen de Europese en Joodse begraafplaatsen samen te voegen om het onderhoud ervan te vereenvoudigen. De verschillende betrokken organisaties waren echter gekant tegen het opgraven en verplaatsen van de doden, wat begrijpelijk is.”

Monument in Valras (kustplaatsje in de buurt van Béziers, dep. Hérault) waarop heel uitdrukkelijk verwezen wordt naar de Franse slachtoffers van de ‘barbaarse daden van Frankrijks vijanden’ tijdens de koloniale oorlogen.

Het is ook moeilijk om te praten over de vermisten, die tijdens de oorlog meestal werden gemarteld of zonder pardon geëxecuteerd. Wat moet er gedaan worden?

“Het is onjuist te denken dat er niets is gedaan, maar het probleem is nog niet helemaal opgelost. Zo heeft een collectief van antikoloniale historici een website opgezet, ‘Les mille autres disparus’, nadat Macron had toegegeven dat de Franse regering achter de verdwijning van Audin zat – vandaar de naam ‘de duizend andere vermisten’, aangezien hij slechts een van de meer dan duizend individuen was die als vermist zijn opgegeven in de nasleep van de Slag om Algiers.”

“Het collectief heeft zich tot het publiek gewend opdat de families van deze vermisten, die bijna allen Algerijn waren, zich zouden melden. Voorts hebben de Franse autoriteiten in samenwerking met organisaties getracht een lijst op te stellen van de Europeanen die tijdens de oorlog of kort daarna, zoals in Oran in de zomer van 1962, vermist zijn geraakt.”

“Er zijn veel van dergelijke gevallen, en de enige oplossing om dit probleem op te lossen is de bestaande organisaties te raadplegen, contact op te nemen met de families en getuigenissen te verzamelen.”

“Dit is uiteraard een moeilijk proces omdat de oorlog geen typische aangelegenheid was waarbij men de doden telde en vervolgens overging tot het begraven van de lichamen. Veel mensen zijn vermist geraakt in dit conflict, dat in bepaalde opzichten op een burgeroorlog leek: een onzichtbare oorlog met onzichtbare slachtoffers.”

Dus, het belangrijkste is politieke wil?

“Natuurlijk. En we hebben een goede reden om die politieke wil te tonen, want Algerije is een belangrijke partner voor Frankrijk en Europa, of we dat nu leuk vinden of niet. Met zijn 1.400 kilometer lange kustlijn heeft het de langste zeegrens met Europa. Bovendien grenst het land aan de grootste woestijn ter wereld, de Sahara, waarvan het strategische belang evident is.”

“We moeten echt wegen en middelen vinden om stap voor stap vooruit te gaan, zodat het geheugen niet langer een belemmering vormt voor samenwerking of voor de Frans-Algerijnse verzoening.”

Is er na de verkiezing van de presidenten Macron en Tebboune een reële kans voor Frankrijk en Algerije om op deze gebieden vooruitgang te boeken?

“Absoluut. Ik kan niet met zekerheid zeggen dat deze kans op het gebied van de Frans-Algerijnse geschiedenis en nagedachtenis nog lang open zal blijven, maar de kans bestaat zeker.”

Stora’s aanbevelingen

Naast een overkoepelende aanbeveling over de “noodzaak voor de twee landen om een nieuw verzoeningspact te sluiten”, stelt het rapport een breed scala van belangrijke, maar symbolische maatregelen voor, waaronder:

– de oprichting van een commissie ‘Herinnering en waarheid’ om gezamenlijke initiatieven aan te moedigen op het gebied van geschiedenis en herinnering;

– de bouw van een gedenkteken in Amboise ter nagedachtenis van de militaire leider Emir Abdelkader en de teruggave van zijn zwaard aan Algerije;

– de erkenning door Frankrijk van de verantwoordelijkheid voor de moord op advocaat Ali Boumendjel tijdens de slag om Algiers;

– de publicatie van een gids van vermiste personen in verband met de Algerijnse oorlog;

– de oprichting van een commissie van Frans-Algerijnse historici die de ontvoering van en de moord op Europeanen in Oran in juli 1962 moet ophelderen;

– de lokalisering van de plaatsen waar Algerijnse gevangenen die tijdens de oorlog zijn geëxecuteerd, zijn begraven; nieuwe herdenkingsdagen in Frankrijk ter herdenking van gebeurtenissen zoals het neerslaan van Algerijnse betogers in Parijs op 17 oktober 1961;

– de deelname van Europees-Algerijnse burgers aan de Tweede Wereldoorlog;

– de omvorming van de interneringskampen van de Franse koloniale administratie voor Algerijnen tot gedenkplaatsen;

– meer aandacht voor de geschiedenis van Frankrijk in Algerije in de lesprogramma’s;

– de oprichting van een Frans-Algerijnse commissie die de geschiedenis van het beroemde Baba Marzug-kanon moet vaststellen en de eventuele teruggave ervan moet bestuderen;

– het opnieuw lanceren van plannen voor een Frans-Algerijns geschiedenismuseum; de organisatie van conferenties in 2021 over Afrikaanse onafhankelijkheidsbewegingen;

– de afwijzing van de Algerijnse oorlog door grote Franse persoonlijkheden, van Mauriac tot Aron en van Sartre tot Ricoeur en Mandouze;

– de oprichting van een archiefcollectie die door beide landen gezamenlijk wordt beheerd en voor het publiek toegankelijk is;

– de oprichting van een Frans-Algerijnse jongerenorganisatie;

– de opname van advocate Gisèle Halimi, die de juridische verdediging van FLN-activisten op zich nam, in het Franse Panthéon.

Interview met Benjamin Stora door Renaud de Rochebrune voor Jeune Afrique

(verschenen op 26 januari 2021 in de Engelse versie op de website van The Africa Report; vertaling uit het Engels door Jan Van Criekinge)

Benjamin Stora, historien, professeur des universités, Université Sorbonne Paris-Nord, (Université-Paris-13)
https://benjaminstora.univ-paris13.fr/

Belangrijkste publicaties van Benjamin Stora:

– Dictionnaire biographique de militants nationalistes algériens

– Les Sources du nationalisme algérien

– Histoire de l’Algérie coloniale (1830-1954)

– La Guerre d’Algérie, 1954-2004

– Mitterrand et la guerre d’Algérie

– La Guerre d’Algérie vue par les Algériens

– De Gaulle et la guerre d’Algérie

– Histoire des relations entre juifs et musulmans des origines à nos jours

Benjamin Stora, France-Algérie, les passions douloureuses, Parijs, Albin Michel, 2021, 208 p., ISBN 2226460764

‘Sur le Rapport Stora : D’une jérémiade à l’autre’ par Faris Lounis dans Le Quotidien d’Oran (Algérie) : http://www.lequotidien-oran.com/index.php?news=5301032

Bronnen:

Algérie 1954-2012. Histoire et espérances, Manière de voir 121, Le Monde diplomatique, février-mars 2012

Résister à la guerre d’Algérie par les textes de l’époque (préface de Tramor Quemeneur, postface de Nils Andersson) ouvrage coordonné par l’association Sortir du colonialisme, éditions Les Petits Matins, Parijs, 2012, ISBN 9782363830098

Benjamin Stora et Tramor Quemeneur, Algérie 1954-1962, Lettres, carnets et récits des Français et des Algériens dans la guerre, Les Arènes, Parijs, 2012, ISBN 9782352041870

Mathieu Guidère avec la collaboration de Lynne Franjié (cartographie : Claire Levasseur), Atlas des pays arabes. Des révolutions à la démocratie ? Editions Autrement, collection atlas/monde, Parijs, 2012, ISBN 9782746732063

Benjamin Stora, Histoire de l’Algérie XIXe XXe siècle, Éditions La Découverte, (coffret 3 volumes), Cinquantième anniversaire du cessez le feu en Algérie, au lendemain de la signature des accords d’Evian. Histoire de l’Algérie coloniale (1830-1954), Histoire de la guerre d’Algérie (1954-1962), Histoire de l’Algérie depuis l’indépendance (I. 1962-1988)

Benjamin Stora, La guerre d’Algérie expliquée à tous, Seuil, Parijs, 2012, ISBN 9782020812436

Institut du Monde Arabe (Parijs):
https://www.facebook.com/institutdumondearabe/videos/636072057328733

– Polémiques autour de la guerre d’Algérie, Robert Ménard, maire de Béziers
https://fr.wikipedia.org/wiki/Robert_M%C3%A9nard