‘Wanneer God tranen verzamelt en de dorst lest’.
Gebed voor vrede en meditatie over Genesis 21, 8-21
Op maandag 3 maart ging de Syrische zuster Deema voor in de vredeswake in de St-Franciscuskerk aan de Ossenmarkt in Antwerpen. Zuster Deema groeide op in Homs in een christelijk gezin met een Syrische vader en een Libanese moeder. In haar studententijd kwam ze in contact met de spiritualiteit van de jezuïeten en leerde ze het woestijnklooster Deir Mar Moussa kennen.
Ze ging in op de uitnodiging van Paolo Dall’Oglio om in de bibliotheek van Mar Moussa te werken. In 2003 voegde ze zich bij de communauteit die Paolo daar had gesticht en ze deelde zijn spirit om te werken aan een ‘harmonisch samenlevingspatroon’ dat de regio een betere toekomst zou bezorgen.
Voor zuster Deema is het gebedsleven in Mar Moussa essentieel voor dat harmonieuze leven omdat het ruimte vrij maakt voor de verwelkoming van anderen.
Te midden van het vernietigende oorlogsgeweld is zuster Deema blijven focussen op de kleine goedheid om de hoop levend te houden. De inzet om de islam nabij te komen, is geen syncretisme. Het maakt eerder mogelijk jezelf beter te leren kennen. Trauma’s kunnen benoemd, wonden geheeld worden, waardoor wederzijds begrip en respect groeien.
Op uitnodiging van de Vrienden van Mar Moussa, de Vlaamse kapucijnen en Pax Christi kwam ze in Antwerpen getuigen voor vrede. Geïnspireerd door het Bijbels verhaal van Hagar en Ismaël hield ze een beklijvend pleidooi voor islamitisch-christelijke harmonie en voor het beëindigen van de oorlog. Hieronder publiceren we haar bijdrage aan de vredeswake.

Het begin van de passage die we zojuist hebben gehoord, voert ons naar een groot feest, een moment van vreugde waar de broers, hoewel halfbroers, samen lachten en speelden. Een vrolijke sfeer, ondergedompeld in goddelijke zegen.
Ismaël was door God gezegend op Abrahams verzoek, volgens de belofte: “Ik zal hem zegenen en hem vruchtbaar en zeer talrijk maken” (Gen. 17:20). Ook voor Isaak was er een eeuwigdurend verbond met God gesloten, die zijn God zou zijn en de God van zijn nakomelingen na hem (Gen. 17:19).
Maar plotseling verandert de situatie radicaal: het gelach vervaagt, banden worden verbroken en de levens van Hagar en haar zoon worden op hun kop gezet. Dit is niet de eerste keer dat Hagar weggaat. In het verleden had ze ervoor gekozen om te vluchten nadat ze door Sarah was mishandeld.
Maar God had haar aangemoedigd om terug te keren: “Ga terug naar je meesteres en onderwerp je aan haar” (Gen. 16:10). Deze keer heeft ze echter geen keus – ze wordt verbannen. Ze zwerft door een dorre woestijn totdat de voorraad die Abraham haar gegeven heeft op is. Ze zit zonder water en zonder hoop.
God lijkt afwezig. Zou het kunnen dat de God van het visioen, die Hagar zag toen ze zwanger en kwetsbaar was, nu haar lijden en dat van haar zoon niet ziet? Zou Hij Zijn belofte vergeten zijn?
De zon brandt genadeloos. Elke stap wordt zwaarder. Hagar voelt haar hart vernauwen – ze heeft niets meer om haar zoon te geven. De leren waterzak is leeg en daarmee verdwijnt ook elke hoop om de woestijn te doorkruisen.
Hagar verwijdert zich van haar zoon, op een boogschot afstand, omdat ze het niet kan verdragen hem te zien sterven. Zonder middelen – brood noch water – heeft ze alle kracht verloren. De woestijn wordt een plaats van angst, eenzaamheid en onzekerheid, zelfs wat betreft Gods beloften. Zij, die ooit brood en water op haar schouders droeg, draagt nu een last, een kruis.
Maar juist op deze plek van schijnbare dood, wanneer alles verloren lijkt, slaat Hagar haar ogen op en roept ze het uit naar God. Op het moment dat haar kracht en moed uitgeput lijken, bereikt Gods stem haar.
“Wat zit je dwars, Hagar?” Maar hoe? Ziet U niet wat ik doormaak? Misschien weerklonken deze woorden in Hagars hart… Hoe kan God zoiets vragen? Ziet Hij het niet, weet Hij niet alles al?
In de genezingen door Jezus zien we vaak dezelfde dynamiek: “Wat wil je dat ik voor je doe?” – zelfs als de nood duidelijk is. Waarom? Omdat het uiten van onze pijn, in woorden of tranen, ons helpt de diepte van onze nood te begrijpen en een relatie met God aan te gaan.
Dit is wat we ook vandaag doen, in onze gebedswake voor vrede. God kent onze behoefte aan vrede en toch blijven we er om schreeuwen en vragen.

Onmiddellijk voegt God eraan toe: “Wees niet bang, God heeft de stem van de jongen gehoord”. God hoort de roep van de kwetsbare en weerloze. Hagar wordt opgeroepen om niet bang te zijn, maar om op te staan en haar zoon bij de hand te nemen, want hij zal de vader van een groot volk worden.
God laat lijden nooit een doel op zich zijn. Hij verandert het in een kans voor hoop. En hoop komt niet alleen door woorden van bemoediging en geruststelling, maar door een concrete daad: de God van het visioen opent Hagars ogen en ze ziet een waterput.
Ze rent om de leren waterkruik te vullen en geeft de jongen te drinken. De kruik, ontdaan van het water van een aardse vader, is nu gevuld met het water van de zorg van de Goddelijke Vader. Maar daarvoor was hij al gevuld met de tranen van een lijdende moeder.
Deze hoop, die concreet wordt in de tranen van een moeder, leidt ons naar een vraag die de geschiedenis omspant en door de tijd heen groeit, een vraag over de schreeuw van hen die kwetsbaar zijn, die luider wordt en weerklinkt in de harten van hen die in extreme situaties leven, zoals die van de Syrische oorlog. Een vraag die ons vandaag de dag nog steeds uitdaagt: waarom?
Ik herinner me een ontmoeting met universiteitsstudenten uit de stad Homs in de beginjaren van de oorlog. Ze hadden me gevraagd om samen met hen het scheppingsverhaal te lezen, en na een paar minuten de tekst te hebben benaderd, onderbrak een jongeman me met de woorden: “Maar wat heb ik eraan hoe de tekst is geschreven en waarom het op deze of die manier is geschreven? Ik wil horen wat de Schrift mij vandaag te zeggen heeft, in het drama waarin ik leef, waarin wij leven.”
Hun woorden waren, net als hun verhalen, vervuld van angst, maar ook met een verlangen naar concrete antwoorden. Ik luisterde urenlang naar hun zorgen en hun ervaringen, en ik begreep dat tijdens de oorlog, voor iemand die een gelovig leven leidt, de grote vraag niet gaat over het bestaan van God, maar over Zijn goedheid.
Sommigen drukten hun schuldgevoelens uit omdat zij een bom overleefd hadden terwijl hun buurman het niet had gehaald. Zoveel tranen en zoveel verhalen kwamen naar boven, maar toch besloten veel van deze jonge mensen, vol van een bron van levend water, zich in te zetten voor humanitair werk.
Ze probeerden zoveel ze konden al diegenen te helpen die de Heer op hun weg doorheen de woestijn had geplaatst, of door water te brengen naar de woestijn van anderen…
Pater Paolo schreef in een boek getiteld ‘De dorst van Ismaël’, een verzameling artikelen voor een Italiaans tijdschrift waarvan sommige geschreven werden in de beginjaren van de oorlog, dat de tranen van Hagar de eerste tranen in de Bijbel zijn: de tranen van de uitgeslotenen.
En de schreeuw van de uitgeslotenen, schreef hij, “is soms ongeordend, of zelfs angstaanjagend, maar een schreeuw die de Kerk niet kan negeren als relevant voor de heilsgeschiedenis”.

De schreeuw van Hagar lijkt de woorden van de Psalm te herhalen: “U hebt mijn omzwervingen geteld; leg mijn tranen in uw huid; staan ze niet in uw boek?” (Psalm 56:9).
De bron is de belofte van een leven dat doorgaat, van een zegen die verder gaat dan het moment van crisis. En wat te denken van een bron in de dorre woestijn!
Ismaël, zo vertelt de tekst ons, zal groeien en een grote natie worden, precies daar, in de woestijn. In dit geval barst de woestijn, de plaats van eenzaamheid en verlatenheid, uit met leven…
Het is geen toeval dat de tekst toevoegt dat Ismaël boogschutter wordt. We herinneren ons de afstand die Hagar eerder scheidde van haar zoon, waardoor ze hem niet kon zien sterven, en die nu maatstaf wordt voor een ander soort nabijheid.
Alice Bianchi, een Italiaanse theologe, merkt in een lezing over de figuur van Hagar op dat een boogschutter zijn betekent “iemand die in staat is om gemakkelijk afstanden te overbruggen en ze tegelijkertijd te bewaren”. En Hagar, vervolgt de schrijver, “heeft in haar leven ervaren dat degenen die verder weg zijn, het dichtst bij haar kunnen staan en vice versa. Zelfs de kinderen van Abraham zijn slechts een boogschot van elkaar verwijderd”.
Deze reflectie over nabijheid en afstand herinnert aan de ervaring van onze gemeenschap die zich wijdt aan een leven van gebed, handenarbeid en gastvrijheid tegen een horizon van het bouwen aan islamitisch-christelijke harmonie.
Sinds de oprichting van de gemeenschap streven we ernaar de door vooroordelen en angst ontstane afstanden te overbruggen, ontmoetingen van wederzijds begrip en spirituele groei te bevorderen en de afstanden te bewaren die ons in staat stellen de anderen lief te hebben en hen in hun verscheidenheid te verwelkomen.
De oorlog, die niet alleen gebouwen verwoest maar ook relaties, heeft deze roeping op de proef gesteld. Het gedwongen isolement te midden van de gevechtszones heeft de angst en de ontmenselijking van de ander geaccentueerd.
Ik herinner me een christelijke vriend die tegen me zei: “Ik ben niet bang voor de dood, maar wel om gedood te worden door een moslimvriend…”.
Geconfronteerd met deze realiteit voelden we de noodzaak om ons niet af te zonderen in de kalme woestijn rond het klooster, maar om de stad in te trekken en te proberen ruimtes te creëren voor ontmoeting en dialoog, met als doel sociale relaties en hoop te herstellen.
Denken aan de toekomst betekende zorgen voor kinderen en jongeren: door middel van een muziekschool, steun voor studies, de oprichting van een kleuterschool voor iedereen en andere humanitaire hulp voor basisbehoeften, probeerden we kleine lichtjes te ontsteken in de duisternis van de oorlog.
In deze moeilijke jaren raakten we aan de barmhartigheid van de Heer die zich uit in wederzijds medeleven en solidariteit tussen broeders. Deelnemen aan enkele missen in de stad, zien hoe jongeren, zowel christenen als moslims, met enthousiasme en vreugde de mensen in nood dienen, getuige zijn van de rozenkransgebeden in huizen terwijl er voor de deur gevochten werd, het horen van een kinderkoor, weten dat veel moslimvrienden bezorgd om ons waren en voor vrede baden terwijl ze alle vormen van geweld afkeurden, het horen van de gebeden van vele vrienden verspreid over de hele wereld… was het teken van goddelijke barmhartigheid en bracht een schuchter licht van hoop.
In deze context werd het getuigenis van God concreet in dagelijkse handelingen: in het zorgen voor de ander, in het ruimte maken voor pijn, in de vrede die voortkomt uit het hart van hen die zich laten transformeren door naastenliefde.
Vandaag, als ik deze Bijbeltekst lees in ons gebed voor Syrië, zie ik in Hagar – die eerst uit vrije wil vertrok – alle mensen die ervoor kozen om hun land te verlaten vanwege de mishandeling waaronder ze leden.
Ik zie in Hagar – die terugkeerde – al die mensen die ondanks alles met moeite weerstand boden. En met Hagar en Ismaël zie ik allen die met geweld werden verdreven.
Met Hagar huilend en schreeuwend zie ik de angst van alle moeders die smeekten om de redding van hun kinderen en van al diegenen die hen helaas verloren.
Met haar zijn we bedroefd omdat ze haar zoon niets meer te bieden heeft, zie ik al die vaders die, ondanks dat ze hun baan kwijtraakten en niet in staat waren om hun gezin te onderhouden, met grote waardigheid alle mogelijke manieren zoeken om dat toch te doen.
En hoeveel mensen heb ik zien huilen en schreeuwen, de wanhoop nabij! En bij de bron zie ik alle concrete daden van solidariteit die Syrië en het Syrische volk door de moeilijkste jaren heen hebben geholpen.
Ik denk vandaag vooral op een bijzondere manier terug aan paus Franciscus in al zijn initiatieven voor Syrië en voor de vrede in onze lijdende wereld. Allen zijn aanwezig in deze tekst. En het is voor hen dat we vandaag bidden, vragend om vrede.
Het is voor hen en voor ons dat we bidden dat we, in de donkerste momenten, de stem van God mogen herkennen die ons zegt: “Vrees niet” en dat we de bron van solidariteit en broederschap mogen zien.
Een bron die, door concrete en dagelijkse acties, de tranen van al wie lijdt kan verzamelen, die met hun dorst naar gerechtigheid het vuur van het geweld kan doven, vooral op dit historische moment voor Syrië, en die de weg opent naar een toekomst zonder wraak en zonder oorlog. Amen.
Zuster Deema, klooster Deir Mar Moussa, Syrië
Lees verder (inhoud maart 2025)