De link tussen de mode-industrie en het boerenprotest in New Delhi

In vorige nieuwsbrieven werd uitgelegd hoe de nieuwe Indiase landbouwwetten de grootste opstand sinds de onafhankelijkheid (1947) hebben ontketend. De wetten hebben betrekking op de manier waarop gewassen zullen worden verbouwd, geprijsd, verkocht en opgeslagen. Onbesproken bleef het aandeel van de wereldwijde mode-industrie die voor 25 procent haar katoen haalt uit India.

Hoe langer de ‘bezetting’ van New Delhi duurt, hoe genuanceerder men de situatie begint te bekijken. De bij het protest betrokken (grotere) boeren komen vooral uit de staten Punjab, Haryana en Uttar Pradesh. Daarbij lopen de meningsverschillen sterk uiteen tussen grote en kleine boeren. De Indiase pers schrijft dat veel kleine boeren in andere staten blij zijn met de hervormingen. Maar wat betekenen deze wetten voor de ‘katoenboeren’?

Beatrice Murray-Nag (Eco-age.com) onderzocht in hoeverre de modesector kan leren uit deze protesten. Ze stelt dat de sector geen partij hoeft te kiezen, maar wel verantwoording moet afleggen voor de toestand in de katoensector en de mazen in de wetgeving onder ogen zou moeten zien. De sector zou kunnen nagaan wat de boeren eigenlijk nodig hebben om een leefbaar bestaan op te bouwen.

Minimumprijs ter discussie

Wat vooral ter discussie staat, is de manier waarop de overgang van een gecontroleerde markt naar een vrije markt wordt aangepakt. In het verleden hebben de katoenboeren hun gewassen vooral verkocht via de Agricultural Produce Market Committees (APMC’s) van de overheid die een minimumprijs verzekerde (MSP). De nieuwe hervormingen stellen voor dat er een directe verkoop zou plaatsvinden aan particuliere bedrijven en dat tussenschakels worden afgeschaft. Ze bieden ook een kader voor contractteelt waarbij producten kunnen worden geteeld voor een particuliere koper.

Deze voorstellen leiden tot verdeeldheid omdat de systemen in elke deelstaat anders werken. D.w.z. dat sommige boeren meer zullen worden getroffen dan andere. De protesten zijn momenteel het sterkst in de drie genoemde staten waar de grote boerderijen hun thuisbasis hebben en waar de staat de afnemer is van rijst en tarwe. In andere staten zouden de meeste boeren zich al op de vrije markt bewegen en slechts 10 tot 15 procent via overheidsopdrachten verkopen.

Katoenteelt in India. De Oshadi Collective Regenerative Cotton Farm in Tamil Nadu wijst op positieve aspecten, maar ook op lacunes in de wetgeving waardoor ze nog niet doeltreffend kan zijn (foto: Oshadi Collective)

Maar rijst- of tarwelandbouw is eigenlijk sterk met katoenteelt verweven. Veel katoenboeren vertrouwen erop dat de katoenoogst wordt afgewisseld met rijst om aldus het hele jaar door een inkomen te krijgen. Dat betekent dat wanneer de wetten van invloed zijn op de ene oogst, ook de andere in de klappen kan delen. Bovendien is zowel de rijst- als de katoenteelt zeer waterintensief en in Punjab en Haryana is water schaars. De boeren blijven rijst verbouwen omdat de overheid die sowieso gegarandeerd aankoopt. Maar de tol op ecologisch vlak is hoog. De stand van het grondwater is alarmerend in de drie genoemde staten.

De Oshadi Collective Regenerative Cotton Farm in de staat Tamil Nadu wijst op positieve aspecten, maar ook op lacunes in de wetgeving waardoor ze nog niet doeltreffend kan zijn. Positief is bijvoorbeeld dat de wetten de luchtvervuiling, die een gevolg is van de residuverbranding, willen bestrijden. Negatief is dat de wet geen alternatief biedt. Negatief is ook dat de overheid te snel wil gaan en de overgang niet geleidelijk aanpakt. Een vrije markt zonder minimumtarieven kan tot (nog grotere) uitbuiting leiden door grote bedrijven.

Monsanto

In de jaren zestig deed de moderne technologie zijn intrede in Punjab. Vele katoenboeren werden toen gedwongen om over te schakelen op Bt-katoen, een genetisch gemanipuleerde hoogproductieve zaadvariëteit (HYV: high yielding seed variety) die ‘ongediertebestendig’ was en werd verkocht door Monsanto.

Monsanto verwierf zo een monopolie. Het verkocht de zaden, maar koppelde daar ook landbouwchemicaliën aan. Het was een kortetermijndenken waarbij de boeren leningen afsloten en schulden opbouwden. Bt-cotton veroorzaakte een piek aan (schuldgerelateerde) zelfmoorden in de staat Punjab en maakte de bevolking ziek door de blootstelling aan chemicaliën. Het was ook Monsanto die de boeren aanraadde de stoppels op het veld te verbranden waardoor de luchtvervuiling toenam.

Eigenlijk is het volgens Beatrice Murray-Nag aan de overheid om de eigen rol in deze ethische, ecologische en economisch-financiële crisis – die ze nu wil oplossen – te erkennen. Dat kost tijd en geld. De financiële last mag en kan in geen geval op het individu worden afgewenteld. De transitie waarin de boeren nu terechtkomen, maakt hen zeer kwetsbaar en opent de deuren voor uitbuiting. Wat er met de minimumprijs (MSP) gaat gebeuren, is erg onduidelijk en men vreest dat bij de afschaffing ervan monopolies zullen ontstaan die uitbuiting tot gevolg hebben.

Een Indiase cartoon steekt de draak met de autoritaire premier Narendra Modi (BJP) die niet echt wil onderhandelen met de protesterende boeren. Van echte dialoog is momenteel geen sprake (cartoon: Satish Acharya)

Race-to-the-bottom in de mode-industrie

Het is algemeen bekend dat ‘modemerken’ zich nu al in een race-to-the-bottom bevinden waarbij ze de kosten zo laag mogelijk willen houden. Maar dat gebeurt uiteindelijk ten koste van het welzijn van de katoenarbeid(st)ers. Katoenboeren moeten worden beschermd, zo luidt het. De machtsongelijkheid tussen boeren en privébedrijven is momenteel te groot en daarom vindt de meerderheid van de katoenboeren dus dat de MSP wel moet blijven als bescherming.

Produce Market Committees’ (APCM’s) zouden ook in andere deelstaten kunnen worden opgezet zodat ze druk kunnen uitoefenen op de privésector om een faire prijs te betalen aan de producenten.

In de eigen taal

Tot nu toe wordt de zogenaamde dialoog met de boeren in het Engels gevoerd. De boeren vragen dat ze zouden worden behandeld in hun eigen taal. De overheid – d.w.z. premier Narendra Modi – laat zich in de ‘ontmoeting’ met de boeren van zijn slechtste kant zien. Hij tracht de boeren eigenlijk alleen maar met geweld onder controle te houden. Van echte dialoog is momenteel geen sprake.

Mode- en textielbedrijven: neem jullie verantwoordelijkheid op!

De kloof tussen de Indiase katoenteelt (dus: landbouw) en de kleding- en textielindustrie is erg groot. Uitbuiting wordt blijkbaar niet ter discussie gesteld. Toeleveringsketens zouden nu hun verantwoordelijkheid kunnen en moeten opnemen, de boer verdedigen en hem/haar een leefbaar bestaan gunnen.

Klanten in kledingwinkels worden vooral geconfronteerd met modetrends. Het verhaal van de miljoenen handen die deze stoffen ‘kweken’, horen we niet.

Merken zouden ervoor kunnen zorgen dat de katoenboeren een ethisch verantwoorde prijs voor hun katoen krijgen. Net zoals bij de textiel- en kledingarbeiders en arbeidsters zou er een wettelijk kader moeten komen waardoor ook de katoenboeren een leefbaar loon krijgen.

De mode- en textielbedrijven kunnen – samen met de boeren – de machtsdynamiek aanpakken die zich al decennialang in de Indiase katoenteelt heeft ontwikkeld. Er is nu vooral empathie en begrip nodig, niet zozeer repressie en bedreigingen.    

Marc Colpaert

Het originele artikel van Beatrice Murray-Nag (Eco-age.com):
https://eco-age.com/resources/what-india-farmer-protests-teach-fashion-industry-accountability/?mc_cid=ece579cc12&mc_eid=7aac48dfeb


Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *